door Marja Vuijsje
Dat mijn nieuwe woning is gesitueerd in de Amsterdamse buurt die eens bekend stond als ‘de Jodenhoek’, wordt mij meteen al ingepeperd. Een dag na mijn verhuizing word ik bij de middagboterham gestoord door een groepje toeristen op wandelexcursie onder leiding van een oudere Amsterdammer. “Hier woonden vroeger allemaal joden”, hoor ik hem zeggen. “Daar, daar, daar en ook hierboven, waar die mevrouw zit te lunchen.” Alsof hij het kadaster er op heeft nageslagen wijst hij precies aan om welke huizen het gaat. “Allemaal weggehaald”, voegt hij eraan toe met zijn gezicht in plechtige 4-mei-plooi. “Nu wonen hier helemaal geen joden meer.”
Nog diezelfde dag krijg ik een telefoontje van een oude vriendin uit Israël. Ze heeft mijn adreswijziging ontvangen en is daar weemoedig van geworden. Of ik wel wist dat een groot deel van haar familie eens gevestigd was aan het vriendelijk ogende grachtje waar ik nu mijn dagen ga slijten, wil ze weten. Ze zegt het op een toon alsof ze mij in het verleden vaak heeft verteld over grootouders, ooms, tantes, nichten en neven die er hebben gewoond, gewerkt en geleefd voordat ze via Durchgangslager Westerbork werden afgevoerd naar de gaskamers van Auschwitz of Sobibor. Dat ik mij van haar verhalen niets kan herinneren, vervult mij met het schuldgevoel dat steevast komt opzetten als ik mij betrapt voel op een gebrek aan joods-historisch bewustzijn. Even denk ik dat ze het mij kwalijk neemt dat ik de gotspe heb gehad domicilie te kiezen op deze voor haar zo beladen plek. Na enig heen-en-weer praten blijkt dat ze het eigenlijk wel een mooi idee vindt dat de kleindochter van de eveneens vergaste, kosjere bakker, waar haar dierbaren tot begin jaren veertig hun maanzaadgalles kochten, is teruggekeerd naar de oude jodenbuurt. Alsof ik met mijn verhuizing triomfantelijk mijn tong uitsteek naar al diegenen die destijds hebben gehoopt dat de joden definitief uit het straatbeeld van Amsterdam zouden verdwijnen.
Die avond pak ik de laatste dozen uit. In één ervan zit een ingelijste foto van mijn grootouders, gemaakt toen ze vijfentwintig jaar getrouwd waren. In mijn ouderlijk huis had die foto een prominente plek op het dressoir. Erg goed heb ik ‘m nooit bestudeerd. Als ik ernaar keek, dacht ik automatisch ‘Sobibor’ en raakte ik bevangen door de meest verschrikkelijke fantasieën over de manier waarop ze aan hun einde waren gekomen. Dat ze ook nog min of meer gewoon geleefd hadden voordat ze aan Zyklon-B ten onder gingen, was iets dat nooit helemaal tot mij doordrong. Nu vraag ik me af of de oude bakker en zijn vrouw misschien wel brood hebben bezorgd op het adres dat ik nu het mijne noem.
Het gevoel dat ik met mijn verhuizing naar die Altstadt een punt heb gescoord tegen de grootste jodenmoordenaars aller tijden wil echter niet komen. Is dat omdat de Tweede Wereldoorlog zelfs voor mij voltooid verleden tijd is geworden? Ik geloof het niet. Waar ik ook woon, er gaat meestal geen dag voorbij zonder dat het concentratiekamp dat zich in mij heeft genesteld even opspeelt. Net zoals veel (toekomstige) kleinkinderen van vermoorde Armeniërs, Koerden, Ruandezen en moslims uit Srebrenica, leef ik nu eenmaal met de zekerheid dat medeburgers onder bepaalde omstandigheden kunnen veranderen in racistische moordenaars.
De foto van mijn grootouders heb ik opgehangen in het halletje. Of ik veel aan ze heb gemist weet ik nog steeds niet, maar het heeft wel wat dat ik ze zestig jaar na de bevrijding kan bekijken als opa en oma, en niet meer uitsluitend als de ultieme slachtoffers van het nazi-regime. En als er weer een oudere Amsterdammer onder mijn raam gaat staan beweren dat hier helemaal geen joden meer wonen, laat ik misschien toch heel even mijn neus zien.
De Helling 2005/1