de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Thema: gemeenschap
Zorgen over de natie

door Jacobus Delwaide

De nationale gemeenschap wordt bedreigd door versplintering als gevolg van migratie, Europa en globalisering. Is de natie nog te redden?

Wie zijn wij?: die vraag weerklinkt in Europa en de Verenigde Staten. De politicoloog Samuel Huntington benadrukt in zijn queeste naar de bronnen van de Amerikaanse identiteit (in zijn recente boek met de titel: Who are we?) het belang van cultuur, meer bepaald: protestantse waarden en de Engelse taal. Die waarden en die taal komen volgens hem zwaar onder druk te staan door de massale immigratie van Spaanstalige katholieken. Nochtans zijn de Verenigde Staten van in den beginne immigratieland geweest. Indien Amerikanen zoals Huntington zich onder druk voelen en vragen omtrent hun identiteit stellen, hoeveel sterker moeten dergelijke vragen dan niet zijn in Europese landen die pas relatief recentelijk en schoorvoetend de immigratie als gegeven hebben aanvaard? We maken ons zorgen over de gemeenschappelijkheid die we noodzakelijk achten voor het overleven van onze instellingen. Die zorgen worden hier getraceerd naar drie ontwikkelingen die op een of andere manier met elkaar verbonden zijn: immigratie, regionale integratie en mondialisering.

I Het multiculturele drama
In eerste instantie is er het ‘multiculturele drama’, meer bepaald ‘het ontstaan van een etnische onderklasse’ (Paul Scheffer). Dit ‘drama’ lijkt deels het product te zijn van lage drempels en laksheid (bijvoorbeeld inzake familiehereniging of huwelijksmigratie). Elke hoogontwikkelde Europese maatschappij heeft haar eigen classes dangereuses gehad en sporen van die autochtone onderklasse zijn nog altijd te vinden in kansarme wijken. Maar misschien vormen etnische onderklassen inderdaad een hardere noot om te kraken.
Cultuur doet er toe: we weten het sinds Max Weber. Het wordt voortdurend benadrukt door politicologen zoals de genoemde Huntington of historici zoals David Landes. “Cultuur is bijna allesbepalend”, stelt Landes provocerend in een bijdrage aan de bundel Culture Matters. Landes komt tot zijn conclusie door terug te blikken op de geschiedenis van de ontwikkelingsinspanningen van een aantal landen en regio's (zoals Latijns-Amerika en Japan). Huntington maakt zich druk over Spaanstalige katholieken, terwijl we in Europa (zelfs in Nederland) daar al een tijdje niet meer wakker van lijken te liggen; Italiaanse, Portugese of Spaanse immigranten zijn opgenomen in de vaart der Noordwest-Europese volken. En wie maakt zich nog zorgen omtrent het ‘uiterst katholieke Polen’? Hooguit een oud-Belgische antiklerikaal.
Maar goed, cultuur blijft wegen. Zo neigen studenten van joodse of Aziatische origine er sneller toe te schitteren aan Amerikaanse universiteiten. Anderzijds lijken moslimvrouwen uit het Midden-Oosten een relatief grote afstand te bewaren tegenover de maatschappij van het immigratieland (zelfs in immigratieland VS) en de geboden kansen – vooral op de arbeidsmarkt – minder vaak op te nemen dan migrantenvrouwen met een andere culturele achtergrond. Substantiële porties van de islamitische denkwereld lijken inderdaad nog een paar problemen te hebben met modernisering, dat is inmiddels ruim gedocumenteerd. De culturele kloven die migratie meebrengt vormen een uitdaging. Misschien zijn Noord-Afrikaanse moslims moeilijker verteerbaar dan katholieke Latinos. Maar zijn ze totaal onverteerbaar? Vormen ze een bedreiging voor de kern van onze verwezenlijkingen? Migratie en integratie zijn geen gloednieuwe uitdagingen.
Zelfs totalitair getint extremisme is ons niet vreemd. Hitler en Stalin zijn we te boven gekomen. Zij waren trouwens geen louter Duitse of Russische aangelegenheden, maar genoten bewondering, aanhang of medewerking in andere Europese maatschappijen: de totalitaire verleiding greep diep, de geschiedschrijving legt dit steeds meer bloot. Zouden we Bin Laden opeens niet meer aankunnen?

Tijger
Is culturele homogeniteit essentieel voor een natie? De meningen lopen uiteen. Culturele homogeniteit zou een fundamentele dimensie vormen van de moderne staat (zie Anthony Marx), van de industrialisering (Ernest Gellner), zelfs van de democratie (Michael Mann). Maar hedendaagse verhandelingen over nation-building in verscheurde landen beperken de ambities doorgaans tot het laten functioneren van instellingen en een minimaal samenhorigheidsgevoel. Het democratische Spanje van zijn kant regionaliseert. In Turkije is de sluitsteen van het kemalistische moderniseringsideaal, de cultureel homogene nationale staat, verworden tot een verouderd obstakel. Culturele homogeniteit staat steeds minder bovenaan de agenda. Ze lijkt haar hoogtepunt te hebben gekend in het zog van de Duitse eenwording, de onderwerping van het Amerikaanse Westen en het Russische Oosten en Zuiden, en de Ottomaanse ontbinding – pakweg tijdens het laatste kwart van de negentiende en het eerste kwart van de twintigste eeuw. Culturele homogenisering was een prioritair agendapunt in de grootscheepse moderniseringsprogramma’s van het nieuwe keizerlijk Duitsland, het door Duitsland verslagen Frankrijk, het zich op internationale krachtmetingen voorbereidende Japan. De kosten van een dergelijke homogeniteit zijn hoog en dergelijke kosten lijken vandaag niet (meer) haalbaar, wenselijk of noodzakelijk. Gemeenschappelijke communicatieculturen blijven uiteraard onontbeerlijk, maar een doordringend dominante cultuur is niet meer zo sterk gewenst.
De vraag naar een doortastende Leitkultur weergalmt weliswaar nog, bijvoorbeeld in Beieren, maar is homogeniteit nog van deze tijd? De vaak geroemde homogeniteit van de jongste en meest geduchte Aziatische tijger, China, rust vooral op papier (de gemeenschappelijke schrifttekens van de verschillende dialecten) en op dwang (waarmee tegenstellingen worden onderdrukt: die tussen stad en land, tussen kust en binnenland, tussen Han en Hui, en met Tibet en Xinjang). De meest succesrijke en aantrekkelijke maatschappijen van vandaag vormen een federatie zoals de VS of een confederatie zoals de EU wier cultuur in toenemende mate wordt gevoed door diversiteit en debat. Dat diversiteit en debat liberale maatschappijen zouden verzwakken ten overstaan van autoritaire tegenspelers werd sporadisch gesuggereerd tijdens de Koude Oorlog, maar de geschiedenis heeft inmiddels afdoende bewezen dat het tegendeel waar is.

Hooggevaarlijk
De socioloog Claus Offe ziet de gevestigde nationale lotsgemeenschap bedreigd door Europese integratie. De uitdaging zou wel eens complexer kunnen zijn. De politicoloog Herbert Kitschelt stelt vast dat “culturele homogeniteit en de stabiliteit van etnische relaties meetellen in de steun voor de verzorgingsstaat”. Wat de ontwikkeling van de verzorgingsstaat betreft, onderscheidt Kitschelt minstens vier grote configuraties tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw: 1. stabiele culturele homogeniteit (Scandinavië); 2. culturele pluraliteit, maar geen immigratie (de Lage Landen); 3. immigratie, maar culturele homogeniteit (Australië, Canada, Nieuw Zeeland); 4. immigratie en culturele heterogeniteit (Verenigde Staten). “Het potentieel voor de opkomst van omvattende verzorgingsstaten”, concludeert Kitschelt, “neemt waarschijnlijk af” naarmate men zich beweegt van configuratie 1 naar configuratie 4.
Hoe handhaven we lotsgemeenschappen in een multiculturele context? Wat kan onze Heimat Babylon (Cohn-Bendit & Schmid, 1992) bij elkaar houden? Cultuur is niet langer het bindmiddel dat destijds lokaal voelende (en pratende) enkelingen omsmeedde tot gehomogeniseerde, hoogefficiënte (en hooggevaarlijke) Duitsers of Japanners. Loyaliteiten worden meer gespreid, het samenhorigheidsgevoel wordt vager, gemeenschappen worden ‘lichter’ [zie ook pag. 18; red.]. Filosofen zoals Rawls, Kymlicka, Parekh, Raz of Walzer stellen zich de vraag hoe individualiteit, culturele diversiteit en gemeenschap kunnen worden verbonden. De kwestie van waarden staat hierbij centraal. Of we onze waarden dienen te ‘exporteren’ is een vraag, of we ze binnenshuis ook aan migranten moeten (of mogen) opleggen is een andere.

Vrouwenbesnijdenis
In zijn vorige boek Botsende Beschavingen (1997) spreekt Huntington zich uitdrukkelijk uit tegen het exporteren van Westerse waarden: het Westen moet gewoon op zijn belangen letten en zich niet laten meeslepen in Wilsoniaanse kruistochten ter verbetering van de wereld. Ook John Rawls wijst het ‘exporteren’ van Westerse waarden af. Rawls bepleit respect voor onliberale volken zolang ze “decent hiërarchisch” zijn, en deelt Huntingtons cultuurdeterminisme en -pessimisme überhaupt niet. Integendeel, Rawls vertrouwt erop dat in een klimaat van respect en tolerantie liberale instellingen vanzelf navolging zullen vinden.
Bhikhu Parekh, virulent pleitbezorger van het multiculturalisme, kant zich eveneens tegen “liberaal imperialisme,” maar hij verzet zich ook tegen een dergelijk “imperialisme” binnen de grenzen van liberale maatschappijen. Parekhs programma (uiteengezet in zijn Rethinking Multiculturalism) werkt niet storend, behalve waar hij zich dubbel vouwt om a-liberale praktijken te respecteren: bijvoorbeeld de vrouwenbesnijdenis die Parekh eigenlijk verwerpelijk vindt, maar die hij uit omzichtigheid toch zou tolereren indien uitgevoerd “door gekwalificeerde mensen onder publieke supervisie en onder medisch aanvaardbare omstandigheden.”
Multiculturalisten zoals Parekh bieden gezond tegengif tegen Westerse, liberale zelfgenoegzaamheid. Maar moeten we werkelijk zo ver gaan als Parekh bijvoorbeeld in dit geval voorstelt? Het is nuttig en nodig kernwaarden te distilleren en krijtlijnen te trekken bij het overschrijden waarvan wordt geïntervenieerd. De rechtsstaat (rule of law) is een van de kernverwezenlijkingen van het Westen. Zelfs absolutistische vorsten respecteerden op een of andere manier bepaalde juridische spelregels. Ook de EU is als internationale organisatie uniek in het respect van haar leden voor juridische regels en vonnissen. Hier ligt een belangrijke eigenheid. De rechtsstaat is dan ook het allerlaatste terrein waarop concessies moeten worden gedaan.
Maar hier schuilt het addertje onder het multiculturele gras: maatschappijen die minder ruggensteun vinden in een gemeenschappelijke cultuur, kunnen zich minder sterk verlaten op indirecte controles, op sociale controle via netwerken zoals die vooral tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw almaar breder ingang vond. ‘Repressie’ is zeker niet effectiever dan sociale controle, maar op bepaalde pijnpunten kan ze blijkbaar wel effect sorteren (bijvoorbeeld in New York onder Rudy Giuliani). Met hun ‘lichtere’ gemeenschappen zullen multiculturele maatschappijen misschien (zoals historicus Peter Baldwin suggereert) opnieuw moeten terugvallen op meer directe overheidscontrole.

II Het uitdijende Europa
In tweede instantie is er het uitdijende Europese project dat eveneens multiculturele maatschappijvormen in de hand werkt. De Europese Unie reikt vandaag verder en dieper dan ooit tevoren, ze omvat maatschappijen waarvan een paar decennia geleden niemand had durven dromen dat ze ooit zouden (kunnen) toetreden. Die naties treden niet toe om zichzelf uit te wissen, integendeel. De oorspronkelijke logica van het Europese integratieproces was trouwens niet versmelting, maar de redding van de nationale staat, dat heeft historicus Alan Milward mooi belicht. Bij alle grote stappen – zoals de Eenheidsakte (1987) of de Economische en Monetaire Unie (de euro) – werd gestreefd naar baten, niet naar offers. De vers uit het Sovjetimperium geëmancipeerde naties mikken er uiteraard niet op binnen de Europese Unie te vervagen, maar zich daar te versterken. De Europese kakofonie rond de invasie van Irak bevestigde nog eens dat de Europese staten eigen visies en belangen blijven koesteren, ook dat het “nieuwe Europa” (Donald Rumsfeld) eigen ervaringen heeft (met dictatuur en onderdrukking) en sterker gehecht is aan stevige Atlantische banden.
Turkije heeft evenmin de intentie zich binnen Europa te verzwakken of te verliezen. Turkije is een islamitisch land met een weliswaar seculiere maar sterk autoritaire traditie. Het is niet nodig dit onder politiek correcte stoelen of banken te steken. Anderzijds hoeven we ons niet te laten verlammen door Huntingtoniaans cultuurdeterminisme en -pessimisme. Turkije is volop in verandering, het toetredingsperspectief heeft een diepe uitwerking op wetgeving en juridische cultuur. Niet het Turkije van 2005, maar het Turkije van 2015 of later zal toetreden tot de Europese Unie, die op haar beurt sterk veranderd zal zijn (zie Klaus Hänsch). Things change, zoals mensen die alweer van partner zijn gewisseld het graag formuleren.

Woest
Turks lidmaatschap voert Europa diep in het Midden-Oosten. Voor sommigen is dat aanleiding tot angst, voor anderen vormt het juist een enorme troef. “De opname van Turkije zou de D-day zijn voor de modernisering van het Midden-Oosten – en daarmee voor de strijd tegen de terreur,” aldus Joschka Fischer. Turkijes geografische positie is strategisch, ook wat energiebevoorrading betreft. Maar geostrategisch denken ligt ons niet – niet meer. We zullen het opnieuw moeten aanleren, waarschijnlijk sneller dan ons lief is.
Dan klopt ook Oekraïne aan, en hoofden verdwijnen meteen in het zand. ‘Dit wordt te bedrukkend voor Rusland, bovendien is Oekraïne te verscheurd, de Russische minderheden zijn er te groot! Turkije hebben we destijds te veel beloftes gemaakt, nu gaan we eindelijk zuinig en voorzichtig zijn!’
Wie bitte? Hier wordt ons op een zilveren schenkblad en in alle vrede een geo-strategische diepte aangeboden waar alleen woeste, vermetele imperiumbouwers van konden dromen (en zich de tanden stuk op hebben gebeten), een diepte die we nooit hebben gehad (één van de redenen overigens waarom we op veiligheidspolitiek vlak dermate sterk afhankelijk van de VS bleven). En die diepte zouden we nu links laten liggen? Omwille van een wij-gevoel dat niet gegeven is, om de eenvoudige reden dat het dagelijks under construction is? De gelegenheid die hier wordt geboden is zonder precedent en van wereldhistorisch formaat.
Een van de grote, en sterk ondergewaardeerde, internationaal-politieke verdiensten van de EU ligt in het ‘exporteren’ van stabiliteit naar streken die dictatuur en potentiële grensgeschillen in hun historische bagage meetorsen. Bovendien is het positief opvullen van internationaal-politieke vacua een bijzonder belangrijke aangelegenheid – vooral in Europa dat met dergelijke vacua geen goede ervaringen heeft opgedaan. De Europese Unie is inderdaad “meer dan een markt en een munt” (Lagendijk & Wiersma): haar toekomstige veiligheid vormt wel degelijk een integraal onderdeel van haar identiteit.

Confrontatie
Wat van doorslaggevend belang blijft bij integratie, zowel bij de Europese integratie als bij de integratie van migranten, is integratie-capaciteit. Verandering en groei zijn nodig en goed, chaos en desintegratie kunnen niet de bedoeling zijn. Maar totnogtoe hebben Europa’s gigantische projecten (één markt, één munt, Oostwaartse uitbreiding), projecten waarrond vaak zo veel onheil werd voorspeld, niet de gevreesde chaos, laat staan desintegratie teweeggebracht: ze lopen verrassend gesmeerd. De opname in de Europese Unie van voormalig Sovjetgebied (Estland, Letland, Litouwen) leidde niet tot de confrontatie met Rusland waarvoor zo dringend werd gewaarschuwd. De Oostwaartse uitbreiding van de NAVO bleek trouwens evenmin de fel (onder andere door Frits Bolkestein) belichte Rubicon op weg naar een nieuw Koude Oorlog te zijn.
Waar en wanneer wordt de Rubicon op weg naar onheil overschreden? Zwartkijkers kunnen zich vergissen. Onheil, chaos of desintegratie zijn gemakkelijker vast te stellen dan te voorkomen. Hegel wees al fijntjes op het trieste trekje van de wijsheid: het is pas bij het invallen van de schemering dat de uil van Minerva zijn vlucht begint.

III De mondialisering en haar verliezers
In derde instantie is er de onzekerheid teweeggebracht door de mondialisering of globalisering. Internationale economische vervlechting is niet nieuw. Maar de hedendaagse vervlechting werkt diepgaander, omvangrijker en sneller – ook in de dagelijkse leef- en werkcultuur – en ze veroorzaakt een groter gevoel van kwetsbaarheid. Vijftien jaar geleden was mijn printer van Amerikaanse makelij, vandaag is een printer van hetzelfde merk made in China. Voor apostels van de globalisering, zoals Thomas Friedman, vormen internationalisering, liberalisering, deregulering en privatisering een onontkoombare ‘gouden dwangbuis’ die de politiek doet krimpen en die maatschappijen wel moeten aantrekken, willen ze economisch groeien.
Pessimistische critici zien de globalisering vooral als een hiërarchisch proces waarin economische macht steeds verder geconcentreerd raakt in enkele leidende geïndustrialiseerde landen of macro-regio's, waardoor nog grotere ongelijkheid in de hand wordt gewerkt. De nationale politiek wordt uit haar macht ontzet. Ondernemers voelen zich steeds minder verbonden met, of verantwoordelijk voor de natie. De naoorlogse verzorgingsstaat wordt omgebouwd in een “concurrentiestaat” (Wolfgang Streeck) die voortdurend toegevingen moet doen aan het thans extreem vrije, globaal beweeglijke kapitaal dat almaar minder sociale plichten of kosten te torsen heeft. Die kosten komen uiteindelijk steeds meer op de veel minder mobiele factor arbeid terecht. Maar deze vrees wordt niet door iedereen gedeeld. De vaak voorspelde vrije val van de belastingen op kapitaal onder druk van “multinationale firma’s en financiële speculanten” die dreigen een land de rug toe te keren lijkt niet te hebben plaatsgevonden (zo concluderen Geoffrey Garrett en Duane Swank).

Oorlogsmachine
Globalisering wordt vaak gelijkgesteld met de herfsttij van de staat. Maar zo wordt de rol van gewichtige nationale of regionale markten onderschat, ook het belang van nationale instellingen en de manier waarop zij internationale druk verwerken. Zelfs voor de verzorgingsstaat vormt de globalisering blijkbaar geen rechtstreekse bedreiging, dat hebben naarstige politiek-economen zoals de al aangehaalde Swank uitgekiend. De druk op de verzorgingsstaat lijkt eerder uit economische, sociologische en ideologische hoek te stammen, met name stagnatie, vergrijzing en Thatcherisme, dus niet – in tegenstelling tot wat zo vaak wordt aangenomen – uit internationale vervlechting en delokalisering.
Een en ander belet niet dat bepaalde sociaal-economische categorieën zoals ongeschoolde arbeid het inderdaad moeilijk krijgen, belaagd door inkomensverlies in de VS en door werkloosheid in Europa. Maar zelfs hier kan de internationale handel – meer bepaald de concurrentiedruk vanuit lage lonenlanden – niet ondubbelzinnig als oorzaak worden aangewezen, zeker niet als hoofdoorzaak, zo stelt onder andere Dani Rodrik.
Economen en politicologen leggen de nadruk op het belang van sociale voorzieningen door de staat teneinde instabiliteit te voorkomen en zo de markt tegen zichzelf te beschermen. Hoe meer een economie is blootgesteld aan internationale handel, hoe groter de omvang van het staatsapparaat en hoe sneller dat staatsapparaat groeit, aldus Rodrik. Zelfs vrijhandelsgoeroes zoals Jagdish Bhagwati bepleiten sociale zekerheid en begeleiding om de pijnlijke neveneffecten van het globaliseringsproces te milderen.
Toch blijven belangrijke vragen open. Bijvoorbeeld het probleem van sturing: markten worden geïntegreerd, de politiek blijft nationaal georganiseerd. Ook de vooraanstaande rol van de staat is niet langer vanzelfsprekend: die werd gedragen door de snelle economische ontwikkeling sinds het midden van de negentiende eeuw en de almaar omvangrijkere militaire conflicten die erdoor mogelijk werden – de Amerikaanse burgeroorlog, de Frans-Pruisische oorlog, de Japans-Russische oorlog, zo stelt Robert Gilpin. Vooral WO I, WO II en de Koude Oorlog vormden de staat om tot een oorlogsmachine. Staten die nu minder van hun burgers gaan eisen (zie de afschaffing van de dienstplicht) hoeven ook minder te verzorgen. Vanuit dit lange termijnperspectief is het niet uitgesloten dat staten wat minder welzijnszorghooi op hun vork zullen nemen.

IV De natie
Wie enigszins vertrouwd is met de VS kan de historische achtergrond begrijpen waartegen Huntingtons zorg en programma zich aftekenen. Niettegenstaande de immense verschuiving van de frontier en de groei van een gigantische melting pot, bleef de Amerikaanse maatschappij opvallend sterk getekend door de puriteinse ethiek die hoogtij vierde in haar Oostkustbastions en van daaruit op de hele natie haar stempel bleef drukken. Keihard werken en bitter slecht eten waren de typisch puriteinse peilers van het dagelijks leven, en de Amerikanen leken er niet erg onder te lijden. Tijdens de jaren zestig waren het alternatievelingen zoals Herbert Marcuse, die hen erop probeerden te wijzen wat ze zoal misten; zelf waren ze er zich blijkbaar niet van bewust, met uitzondering van excentrische (levens)kunstenaars zoals Henry Miller. Zelfs de Californische rebellie, met haar ludieke speurtocht naar alternatieve spirualiteit en ongeremde sensualiteit, leek in haar grondigheid en nadrukkelijkheid nog altijd getekend door het puriteinse patroon. Midden jaren zeventig waarschuwde socioloog Daniel Bell weliswaar voor de culturele contradicties van een kapitalisme dat drijft op hard werk en uitstel van bevrediging, maar waarbinnen een levendige en verleidelijke popcultuur onophoudelijk hedonistische waarden verkondigt en huldigt. Toch lijkt het kapitalisme nog altijd alive and kicking en niet alleen in de VS: ook globaal dringt het thans breder, sterker en dieper door dan ooit tevoren.
De Amerikaanse zorgen om cultuur en waarden zijn leerrijk voor Europeanen. Het gaat hier immers om een natie die is geworden wat ze is door immigratie, die haar burgers weet te scharen rond een concept en een document – de American dream en de Constitution, en die telkens opnieuw immigratiegolven weet te betrekken in een volkscultuur (popular culture) waarvan de aantrekkingskracht wereldwijd wordt gevoeld, gekoesterd of verfoeid. Indien Amerikanen met hun huizenhoge integratietraditie en -ervaring zich zorgen maken, wat moeten Europeanen zich dan wel afvragen binnen hun almaar groeiende mozaïek? Een Europese demos is er niet, daar worden we voortdurend aan herinnerd, Europese partijen en media evenmin. Toch blijft Europa – net zoals het kapitalisme – een succesverhaal, toch blijven oude of herboren naties aankloppen.

Zegevierend
Ook de democratie reikt vandaag verder en dieper dan ooit tevoren (alhoewel we ons over Rusland steeds minder illusies maken, en over Centraal Azië al helemaal niet meer). De economische, sociale en politieke instellingen van het Westen blijven model staan. Alternatieven zijn dermate weinig krachtig, overtuigend of aantrekkelijk dat de voorstanders of begunstigden ervan moeten terugvallen op dwang of terreur.
Zelfs de staat lijkt sterker te staan dan de talrijke Unkenrufe vanuit het globaliseringskoor deden vermoeden. De opmars van het neoliberalisme is reëel, maar de paden die het volgt worden nog altijd beïnvloed door nationale instellingen en organisaties (zoals vakbonden), de macht waarover zij beschikken en de doelstellingen die zij voor ogen hebben.
Kortom, onze instellingen lijken aantrekkelijker te zijn en thans ook sterker te staan dan ooit tevoren, sterker nog dan velen tot voor kort vermoedden. Uit alle grote omwentelingen en uitdagingen van de twintigste eeuw is het Westen zegevierend tevoorschijn gekomen. Misschien is tussen alle onzekerheid dan ook wat meer zelfzekerheid aan de orde. Er is geen reden om zich te sterk door integratie-uitdagingen te laten bedrukken en om wereldhistorische gelegenheden niet waar te nemen.
De wereld waarin we ons bewegen was twee decennia geleden heel anders: Europa was nog verdeeld, de Europese Gemeenschap was veel kleiner, breed gebruik van PC of Internet stond nog in zijn kinderschoenen, printers werden nog in de VS gefabriceerd. Over twintig jaar zal onze wereld er opnieuw totaal anders uitzien. Nieuwe elementen creëren nieuwe syntheses. Met de onzekerheid (economische, sociale, culturele onzekerheid) die daaruit voortvloeit moeten we zo goed mogelijk leven. Meer dan ooit blijkt dat cultuur en maatschappij geen welomlijnde, statische gegevens zijn. Ze zijn intern verscheiden en volop in beweging, producten van historische ontwikkelingen die niet tot stilstand zijn gekomen, integendeel. Proberen die ontwikkelingen zo goed mogelijk te peilen en enigszins te sturen is het beste wat we kunnen nastreven.

Enkele bronnen:
- Jacobus Delwaide & Gustaaf Geeraerts, ‘Het globaliseringsdebat: een literatuuroverzicht’, Studia Diplomatica, jrg. 62, nr. 1 (2004)
- Robert Gilpin, Global Political Economy: Understanding the International Economic Order; Princeton University Press, 2001
- Lawrence E. Harrison & Samuel Huntington, red., Culture Matters: How Values Shape Human Progress; New York: Basic, 2000
- Samuel Huntington, Botsende Beschavingen: Cultuur en conflict in de 21ste eeuw; Standaard, 1997
- Samuel Huntington, Who are we? The challenges to America’s national identity; Simon & Schuster, 2004
- Alan S. Milward, The European Rescue of the Nation-State; Routledge, 1994
- Bhikhu Parekh, Rethinking Multiculturalism: Cultural Diversity and Political Theory Houndmills; Palgrave, 2000
- John Rawls, The Law of Peoples; Harvard University Press, 1999

Jacobus Delwaide is hoofddocent Politicologie aan de Katholieke Universiteit Brussel

De Helling 2005/1


Inhoud 2005/1