door Doekle Terpstra
Religieuze gemeenschappen moeten zich niet laten terugdringen naar de binnenkamers. Ze hebben de samenleving iets te bieden.
Het geloof is iets voor de binnenkamer, voor privé-gebruik. Ieder is vrij in zijn geloof zolang anderen daar maar niet door gehinderd worden. Deze wat kort weergegeven benadering lijkt in sommige kringen bon ton. Religie is achterhaald, de moderne mens laat zich niet door vage, oude beelden leiden, maar probeert zo rationeel mogelijk op te treden. Deze mening wordt stevig gevoed door de maatschappelijk reacties op de islam.
Mijn visie staat hier haaks op. Ik meen dat religie het richtsnoer voor het leven kan zijn – voor het mijne is dat zo. Niet alleen voor de binnenkamer, niet voor een stuk van het leven, maar voor heel het leven. Ik ben als mens niet op te knippen in stukjes, waarbij ik mijn stukje geloof reserveer voor mijn privé-leven. Mijn geloof heeft niet alleen een boodschap voor mij, maar door mij ook voor de samenleving. Geloof is een geheel van waarden en normen en die reiken verder dan het privé-domein.
Ik heb 25 jaar geleden bewust gekozen voor de christelijke vakbeweging. Niet omdat die beter is of bestaat uit betere mensen. Niet omdat het CNV de waarheid in pacht heeft. Maar omdat binnen die club waarden en normen gebaseerd worden op de Bijbel, omdat geloof en praktijk daar met elkaar worden verbonden. Dat gaat soms moeizaam, mislukt soms, maar het wordt geprobeerd. En dat spreekt mij (nog steeds) aan. Ik hoor niet tot die gelovigen die hun geloofswil willen opleggen aan anderen en die gelovigen als een beter soort mensen ziet. Ik hoor tot de gelovigen die inspiratie zoeken buiten zichzelf, die willen worden aangesproken op gedeelde waarden en normen.
Mijn geloof is geen kookboek voor mijn dagelijks handelen. Het is een inspiratiebron, het wijst mij de weg, maar het is mijn persoonlijke verantwoordelijkheid op welke manier ik mijn geloofsovertuiging inzet in mijn maatschappelijk handelen. De Bijbel schrijft mij niet voor hoe het moet, maar geeft mij aan hoe het kan. De vraag naar meer of minder loon, naar een hogere of lagere uitkering, kan ik niet beantwoorden met een beroep op de Bijbel. Wel kan ik mij bij het beantwoorden van die vraag laten leiden door bijbelse richtlijnen van recht en gerechtigheid, van persoonlijke verantwoordelijkheid en rentmeesterschap.
Volgens velen stelt religie het belang van de groep boven het belang van het individu en vanuit het perspectief van individuele vrijheid ontstaat daar dan spanning. Ik betwijfel of dat zo is. In het christelijk geloof zoals ik dat beleef, is de mens vrij, maar is die vrijheid gebonden aan de vrijheid van anderen. Persoonlijke verantwoordelijkheid leidt niet tot zelfredzaamheid of tot egotripperij, maar juist tot het diepe bewustzijn dat mijn vrijheid alleen maar echte vrijheid is als ik rekening houd met de ander, als ik mij met de ander verbind. Persoonlijke verantwoordelijkheid is voor de mij de kern van mijn maatschappijvisie.
Monsterverbond
Persoonlijke verantwoordelijkheid betekent niet dat ik alles in mijn eentje moet doen. Het kan juist ook zijn dat ik dingen samen met anderen doe, omdat het dan beter gebeurt. Collectieve arrangementen passen heel goed bij de manier waarop ik vanuit mijn geloofsopvatting naar de samenleving kijk. Niet als dwingende kaders, maar als mogelijkheden om maatschappelijke doelen te realiseren. In dat verband is er ook een authentieke taak voor de overheid. De overheid is er niet voor zichzelf – alhoewel het daar soms wel eens op lijkt – maar is er voor de burgers. De overheid mag niet in de plaats van die burgers treden, maar behoort hen de ruimte te bieden hun persoonlijke verantwoordelijkheid waar te kunnen maken.
Dit beeld van de overheid spoort niet met de huidige werkelijkheid. Laat ik dat illustreren aan de hand van een actueel voorbeeld. De werknemersverzekeringen zijn in de loop van de vorige eeuw in toenemende mate verstatelijkt, dat wil zeggen: de overheid is zich gaan gedragen als ‘eigenaar’ van de werknemersverzekeringen. Ze bepaalt de regels, de hoogte van premie en uitkering en voert de verzekering uit. Dat is een onjuiste ontwikkeling die gekeerd dient te worden. Werknemersverzekeringen zijn een zaak van werkgevers en werknemers. Zij bepalen de regels, de hoogte van uitkering en premie en zij dragen zorg voor de uitvoering en zorgen voor een goed, openbaar toezicht. In mijn visie moet de overheid dan ook terugtreden en dat is iets heel anders dan het monsterverbond dat het paarse kabinet in de jaren negentig sloot tegen de sociale partners.
Een terugtredende overheid die burgers en hun organisaties de verantwoordelijkheid laat, is een politieke keuze die ik baseer op de manier waarop ik tegen de samenleving aankijk. Ik ben mij er van bewust dat de paar regels die ik voor het voorbeeld gebruik te weinig zijn om aan alle complexe aspecten die met het vraagstuk zijn verbonden, aandacht te besteden. Ik ben er ook van bewust dat de overheid op tal van terreinen al terugtrekkende bewegingen maakt. Minder regelgeving rond de arbeidstijdenwet, de arbeidsomstandighedenwet, de wet op de ondernemingsraden zijn daarvan voorbeelden op mijn eigen werkterrein. Toch is de wijze waarop de overheid terugtreedt in veel opzichten niet de mijne. Het terugtreden wordt nogal eens gebruikt om een ordinaire bezuiniging te verbloemen. De overheid beroept zich op het dragen van eigen verantwoordelijkheid, maar schept een samenleving waarin mensen vooral zichzelf moeten redden.
In dit verband is de toespraak van premier Balkenende tijdens de Bilderberg-conferentie op 22 januari zo interessant. In die toespraak lijkt hij stevig afstand te nemen van de neoliberale beleidslijnen van dit kabinet door te pleiten voor het een krachtige rol van maatschappelijke organisaties. Hij tekent beleidslijnen uit die mij – ook ideologisch – sterk aanspreken en ik ben dan ook zeer benieuwd naar de komende daden. Woorden zijn belangrijk, maar het gaat uiteindelijk om de uitvoering.
Vrijheid
Als de overheid terugtreedt betekent dat dat bepaalde taken niet meer gebeuren of door anderen worden opgepakt. Vooral de markt wordt gezien als de aangewezen partij om taken over te nemen. Deze privatisering heeft niet bijgedragen aan het maatschappelijk draagvlak voor de terugtredende overheid. Als ik de toespraak van de minister-president ernstig neem – en voorlopig doe ik dat – dan zal er de komende tijd een stevige overdracht naar maatschappelijke organisaties plaatsvinden. Ik ben daar – zo zal duidelijk zijn – een warm voorstander van. Maar terugtreden moet verband houden met optreden. Het een kan niet zonder het ander.
Wat is in dit kader de rol van religieuze gemeenschappen? Eigenlijk een simpele: scherp houden, de andere actoren bevragen op hun motieven en afwegingen. Een religieuze gemeenschap – de kerken, de moskee, de synagoge, en zo meer – is de bewaker van onze waarden en normen. Niet zo zeer, zoals in vroeger dagen, de uitvoerder van armenzorg en ziekenzorg, maar de inspirator, de plaats waar mensen samenkomen om zich te bezinnen op de zin van hun bestaan en op hun maatschappelijk doen en laten. Een plaats waar mensen gevoed worden in contact met elkaar en door hun geloofsopvatting. Een plaats waar het gesprek plaatsvindt over de vertaling van de geloofsopvatting naar het praktisch handelen. In die gemeenschap moet ook nagedacht worden over de boodschap aan de wereld. Daar moeten kritische vragen groeien. De religieuze gemeenschap is meer dan een samenzijn van gelovigen die met hun geloof bezig zijn. Het is ook een gemeenschap van mensen die vanuit hun geloof bezig zijn met de samenleving.
Van die rol komt vaak niet veel terecht, laat ik het maar zo geblokt zeggen, en als er wel wat van terechtkomt, is het de vraag of de samenleving daarop zit te wachten. De gelijke behandeling van mannen en vrouwen – het is niet meer dan een illustratie – is in onze samenleving terecht gemeengoed geworden. Maar vanuit sommige religieuze gemeenschappen worden daar vraagtekens bijgezet en dat kan tot spanning leiden. De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst staan op gespannen voet met andere verworvenheden. Een religieuze gemeenschap moet vragen stellen, maar daarmee is niet gezegd dat de antwoorden van die gemeenschap de antwoorden van de samenleving zijn. Voor de spanning is geen algemene, eenvoudige oplossing. Hoeveel ruimte laat je iemand, hoeveel ruimte neem jijzelf? Wij leven in een samenleving waarin uiteenlopende stelsels van waarden en normen naast elkaar kunnen bestaan. Al die stelsels beïnvloeden het geheel, maar de ene set van waarden en normen kan nooit de andere verdringen. Het is goed als wij het gesprek tussen de verschillende religieuze gemeenschappen opgang brengen, want de waarden en normen in die gemeenschappen zijn – zo is voldoende gebleken – niet absoluut.
Religieuze gemeenschappen zijn nu vaak erg druk met zichzelf bezig. Ze moeten opnieuw leren naar buiten te kijken, omdat ze iets te zeggen kunnen hebben waar de samenleving baat bij heeft. Voorkomen moet worden dat religie teruggedrongen wordt naar de binnenkamer omdat de vragen aan de samenleving in de ogen van sommigen niet passen in de samenleving. Het geloof – van wie dan ook – afdoen als een privé-aangelegenheid ontkent de betekenis van geloven, van gelovigen, van religieuze gemeenschappen voor de ontwikkeling van onze samenleving. En dat is de dood in de pot.
Doekle Terpstra was tot half 2005 voorzitter van het CNV, sindsdien is hij voorzitter van de HBO-raad; in december 2004 verscheen van zijn hand het boek Meer dan geld verdienen (Ten Have, 2004)
De Helling 2005/1