door Erna Hooghiemstra
Individualisering en spot ten spijt is ‘huisje, boompje, kindje’ ieders ideaal. Ondanks dat het anders kan, verkiezen vrouwen het gezin boven economische zelfstandigheid. De emancipatie is erbij gebaat dit verlangen naar gezamenlijkheid te erkennen.
Enige tijd geleden, op een door de Nederlandse Gezinsraad (NGR) georganiseerde discussie, liet een uitgenodigd GroenLinks-Kamerlid zich ontvallen “onpasselijk te worden van het woord gezin”. Misschien verwoordde zij niet de partijlijn, maar het is wel een feit dat GroenLinks de neiging heeft het woord te vermijden. Dat blijkt onder andere uit de analyse die de NGR met de Universiteit van Wageningen deed van de verkiezingsprogramma’s van 2002 en 2003. Het woord gezin kwam welgeteld twee maal voor. Betekent dit nu ook dat GroenLinks geen enkele aandacht heeft voor gezinsthema’s? Geenszins. Het aantal keren dat in het verkiezingsprogramma de woorden familie, ouders of kinderen voorkwam bedroeg maar liefst 44.
Ik zal drie redenen aanvoeren waarom ik denk dat het tijd wordt om het taboe op het gezin (ik reken daartoe iedere leefeenheid waar een kind deel van uitmaakt) te doorbreken. Allereerst omdat het gezin, ondanks individualisering en emancipatie, nog steeds een erg belangrijk onderdeel van de levensloop is. Ten tweede omdat aandacht voor het gezin de emancipatie verder zou kunnen helpen en ten derde omdat kennis over het gezin een bijdrage kan leveren aan het dichterbij brengen van een aantal maatschappelijke doelen.
Voorkeur
Na de burgerlijke jaren vijftig, leek het keuzepalet aan mogelijkheden om partnerrelaties en ouder-kindrelaties vorm te geven oneindig. Bevrijd van de knellende normen en waarden opgelegd door de kerk, het sociale leven en de overheid kregen individuen zelf de mogelijkheid om te doen wat zij wilden. Velen voorspelden een toekomst waarin non-binding-commitments de boventoon zouden voeren. Er werd gewaarschuwd voor een samenleving waaruit het cement zou verdwijnen.
In de werkelijkheid is er wel het een en ander veranderd, maar toch ook opmerkelijk veel hetzelfde gebleven. De levenslopen zijn zeker in de fase voorafgaande aan gezinsvorming sterk geďndividualiseerd. Mede door het loslaten van een direct verband tussen het aangaan van een seksuele relatie en het krijgen van kinderen is er ruimte ontstaan om op basis van affectie relaties aan te gaan. Het gevolg hiervan is dat velen tot dat er een kinderwens ontstaat verschillende relaties hebben en dat gezinsvorming steeds meer wordt uitgesteld.
De ontwikkeling in de richting van meer individualisering heeft de banden binnen het gezin echter niet aangetast. Integendeel. Ouderschap en partnerschap zijn in vergelijking met vroeger eerder intensiever geworden dan losser. Uit een enquęte die met regelmaat wordt voorgelegd aan de Nederlandse bevolking over de waardering van een zestal levensterreinen, wint het gezin al jaren van ‘vrienden en bekenden’, ‘vrije tijd’, ‘werk’, ‘politiek’ en ‘godsdienst’ (SCP, 2001). Ook is er maar nauwelijks sprake geweest van verminderde belangstelling voor het stichten van een gezin. Weliswaar leven meer mensen alleen en in een tweepersoonshuishouden. Maar uiteindelijk hebben de meeste alleenstaanden een voorkeur voor leven met een partner, krijgt de meerderheid van de Nederlandse bevolking wel kinderen en had het grootste deel van degenen die geen kinderen krijgen eigenlijk wel een gezin willen hebben. In de afgelopen decennia is het gezin een onderwerp geworden waarover alleen nog besmuikt gesproken wordt. Ondertussen blijven in de privé-sfeer – binnen de gezinnen dus – de onderlinge banden onverminderd sterk.
Emancipatie
Het is overduidelijk dat de emancipatie stokt vanaf het moment dat er kinderen worden geboren. Het (kleine) anderhalfverdienersmodel is in de gezinsfase de norm. 25 Jaar emancipatiebeleid heeft ons niet verder gebracht dan een modern jasje om een traditioneel patroon. Hoe komt dit? Allereerst kan niet ontkend worden dat er sprake is van belemmeringen om een betaalde baan op een bevredigende wijze te combineren met zorgtaken. Belangrijkste struikelblokken zijn het gebrek aan voldoende voorzieningen en de beperkte investeringen van vaders in de zorg en het huishouden. Het emancipatiebeleid heeft vooral deze ingang gekozen om de arbeidsparticipatie van vrouwen te verhogen. Er is veel geďnvesteerd in de facilitering van arbeid en zorg en ook de nodige aandacht geweest voor stimulering van zorgactiviteiten van vaders. De opbrengsten ervan zijn echter beperkt. Een belangrijkere reden hiervoor is dat veel vrouwen niet talen naar een omvangrijke betaalde baan, zeker niet als ze kinderen hebben. Mannen en vrouwen blijken vooral als zij met elkaar en hun kinderen samenleven uiterst tevreden met een anderhalf-max verdeling van betaald werk.
Menig onderzoeker heeft zich afgevraagd hoe het mogelijk is dat vrouwen tevreden kunnen zijn met een ongelijkwaardige verdeling en een afhankelijke positie. Die tevredenheid doet zich zelfs voor bij vrouwen die in principe voorstander zijn van een volledig gelijke verdeling van taken. Onderzoek toont aan dat vrouwen in de inrichting van hun dagelijkse leven andere prioriteiten stellen dan economische zelfstandigheid en meer in het algemeen gelijke posities. Ze zijn tevreden als ze in goed overleg met hun partner tot een oplossing voor tijdsproblemen zijn gekomen en als ze de belangen van het gezin veilig hebben gesteld. Onder de huidige omstandigheden is dit kennelijk alleen haalbaar als de vrouw haar arbeidsloopbaan – in haar meest productieve periode! – op een laag pitje zet.
Droevig
Dat vrouwen hun keuzen bij voorkeur mede afstemmen op de andere leden van het huishouden waar zij deel van uitmaken, plaatst het emancipatiebeleid voor een groot dilemma. Nu er eindelijk een situatie is ontstaan waarin vrouwen in hoge mate kunnen kiezen, lijkt het alsof ze er helemaal geen behoefte aan hebben om hun privé-verplichtingen ondergeschikt te maken aan de participatie op de arbeidsmarkt. Het gevolg is dat vrouwen in de periode totdat er kinderen komen, volgens de doelstellingen redelijk zijn geëmancipeerd, maar dat het daarna nog steeds droevig is gesteld.
De relatie tussen emancipatiebeleid en gezin is altijd moeizaam geweest. Het gezin werd gezien als belemmering voor emancipatie. Daarom moest de vrouw het gezin uit, de wereld in, haar eigen pad volgen en zich niet laten sturen door vastliggende rolpatronen. In mijn ogen heeft het emancipatiebeleid een erg belangrijke functie vervuld in de verzelfstandiging van vrouwen, maar heeft zij er te weinig rekening mee gehouden dat de meeste mensen zoeken naar een balans tussen individualiteit en gezamenlijkheid. Het emancipatiebeleid moet zich veel meer richten op het creëren van omstandigheden die recht doen aan het belang dat mensen hechten aan hun gezin. Alleen dan kan de emancipatie verder geholpen worden.
Ik wil nog een argument aanvoeren waarom het gezin meer aandacht verdient dan het krijgt in het overheidsbeleid. Een aantal belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen hangt sterk samen met ‘het gezin’. Het krijgen van kinderen lijkt in eerste instantie iets waar de overheid zich verre van moet houden, maar dan wordt uit het oog verloren dat de optelsom van deze private beslissingen grote maatschappelijke gevolgen kan hebben. Hoewel het niet zo’n probleem lijkt voor een dichtbevolkt land als Nederland, brengt een dalende en vooral een negatieve bevolkingsgroei de nodige risico’s met zich mee. Het kan leiden tot schaarste van arbeidskrachten, een tekort aan personeel in de ouderenzorg en ook tot relatief hoge kosten van de zorg voor ouderen.
Kortzichtig
De overheid bemoeit zich met de taakverdeling in gezinnen na het krijgen van kinderen, vanuit het oogpunt van arbeidsparticipatie. Onder het mom van keuzevrijheid zijn er echter weinig belemmeringen om te kiezen voor niet of veel minder gaan werken. De afstandelijke houding van de overheid is opmerkelijk omdat die keuze consequenties heeft voor de maatschappij. Nog buiten de invloed ervan op sekseverhoudingen, inkomensverhoudingen en de armoederisico’s in geval van echtscheiding, is het op zijn minst teleurstellend dat de grote vooruitgang die meisjes op het terrein van onderwijs boeken maar zeer ten dele ten goede komt aan de arbeidsmarkt. Zeker met het oog op de toekomstige vergrijzing zou het erg kortzichtig zijn ons zomaar neer te leggen bij deze ontwikkeling.
Het belang van de samenleving bij zorg en opvoeding van voldoende niveau in het gezin is evident. Knelpunten kunnen desastreuze gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de kinderen. Meer in het algemeen is de opvoeding in gezinnen bepalend voor de overdracht van normen en waarden en daarmee voor de cultuur van de toekomstige samenleving. Juist daarom is het van het grootste belang dat de overheid zijn verantwoordelijkheid neemt en goede randvoorwaarden biedt voor de opvoeding van kinderen.
Aan het gezin heeft jarenlang een spruitjeslucht gehangen vanwege de associatie met traditionele rolpatronen. In de jaren zestig en zeventig was het goed te verdedigen om aandacht te besteden aan individualisering en de ontwikkeling van de positie van vrouwen. Hier was immers een wereld te winnen. Nu is het overbodig het gezin alleen in negatieve termen te omschrijven of te negeren als politiek relevant thema. Zeker bij links ligt op gezinsthema’s nog steeds een taboe. Ondertussen speelt het gezin een belangrijke rol in het dagelijks leven van heel veel mensen. Het is niet alleen in het belang van gezinnen om dit taboe te doorbreken, maar zou kunnen bijdragen aan toenemende emancipatie en een economisch gezonde en zorgzame samenleving.
Erna Hooghiemstra is directeur van de Nederlandse Gezinsraad
De Helling 2005/1