de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

De jaren 70: progressief paradijs

door Antoine Verbij

De revolutionaire activisten in Nederland in de rode jaren zeventig hebben niet veel uitgericht. Zij waren echter niet geïsoleerd. Veel Nederlanders deelden hun dromen en waren bereid hun stem te verheffen tegen het onrecht in de wereld. Tien jaar lang was dit land een progressief paradijs.

[Onderstaande tekst is samengesteld uit de inleiding van het boek 'Tien rode jaren; links radicalisme in Nederland, 1970-1980'. door Antoine Verbij.]
“Ik kon me geen andere toekomst voorstellen dan een leven in de illegaliteit. En dat leven zou mijn dood worden.” De man die dit vertelt, zat in de jaren zeventig bij een groep die voor de gewapende strijd had gekozen. “Ik vond dat juist,” zegt hij. “De mensen in de Derde Wereld stierven bij bosjes. Wij zaten hier in het centrum van de macht. Wij hadden de plicht ervoor te zorgen dat degenen die wij verantwoordelijk achtten voor het onrecht in de wereld, niet meer rustig konden slapen.”
Hij praat kalm en met overzicht over wat hem toen bezielde. Hij oefent tegenwoordig een artistiek beroep uit, leeft naar tevredenheid en vindt het niet nodig dat de mensen in zijn huidige omgeving weet hebben van zijn revolutionaire verleden. Daarom blijft hij hier anoniem. Hij vertelt over de groep waartoe hij behoorde. Ze spiegelden zich aan de Rote Armee Fraktion (RAF) in Duitsland. In hun ogen was de wereld één grote samenzwering. “We gaan naar een Europese politiestaat, dachten we. Niemand ziet het, alleen wij zien het.” Net als hun Duitse helden vonden ze dat ze de mensen moesten waarschuwen. Door gewapend verzet te plegen zou de staat vanzelf zijn fascistische gezicht laten zien. Ze vonden het daarom vanzelfsprekend dat ze door politie en geheime dienst werden opgejaagd. “We leefden in een waan en wat wil je nu liever dan dat die waan bevestigd wordt.” Na een gewapende actie werd hij gearresteerd. “Ik werd op mijn buik gegooid en kreeg een doorgeladen pistool in mijn nek. Een zenuwachtige agent hield mij onder schot, ik voelde de loop trillen.” Toen hij in de politieauto werd geduwd, viel er een grote last van hem af. “Ik werd helemaal rustig. Ik wist, het is voorbij. Ik besefte dat erger was voorkomen. Als ik niet was opgepakt, waren er verschrikkelijke dingen gebeurd, dan waren er gebouwen opgeblazen, mensen neergeschoten.”
Er zijn in Nederland in de jaren zeventig geen al te verschrikkelijke dingen gebeurd. De enige dodelijke slachtoffers van politiek geweld vielen door toedoen van voortvluchtige Duitse terroristen. Het bloedige geweld van de Vrije Zuid-Molukse Jongeren is een verhaal apart. Met links radicalisme had dat weinig te maken. Wie puur naar het geweld kijkt dat door linkse activisten werd uitgeoefend of uitgelokt, moet tot de conclusie komen dat de jaren zeventig betrekkelijk rustig waren. Gewapend verzet werd voornamelijk met de mond beleden. Er is wat met pistolen gezwaaid, er zijn een stuk of vijfentwintig bommen afgegaan, maar niemand raakte gewond. Behalve op het laatst, bij de bom in de Amsterdamse Quellijnstraat die in juni 1980 een heel pand tot instorten bracht. Daarbij liepen twee bewoners lichte verwondingen op, licht genoeg om nog te kunnen vluchten. Het was – naar alle waarschijnlijkheid – hun eigen voorraad explosieven die tot ontploffing was gekomen.

Revolutie
Het links-radicale geweld bleef in Nederland grotendeels virtueel. Dat neemt niet weg dat er tal van linkse activisten waren die tot de gewapende strijd bereid waren. Zij organiseerden zich in ondergrondse cellen, eenheden van zes, acht, tien mensen die illegale acties uitvoerden. Dat waren bomaanslagen, overvallen en kleine maar venijnige pestacties tegen fabrikanten, politici en bestuurders. Daarnaast leverden enkele cellen hand- en spandiensten aan buitenlandse terreurorganisaties. Ze verhandelden wapens en explosieven, smokkelden verboden drukwerk en hielpen voortvluchtige terroristen aan onderduikadressen. Een aantal cellen opereerde binnen en rond clubs als de Rode Jeugd, de Rode Hulp en het Rood Verzetsfront. Ook in de krakerswereld waren cellen actief, vooral op het gebied van leger en kernenergie. Conservatief geschat opereerden er in de jaren zeventig in totaal ongeveer veertig cellen. Dat betekent dat er waarschijnlijk tussen de honderdvijftig en tweehonderdvijftig links-radicalen waren betrokken bij activiteiten met een geheim, illegaal en gewelddadig karakter.
De aanhangers van de gewapende strijd hadden over het algemeen geen al te duidelijke voorstellingen van de revolutie die zij najoegen. Voor heldere ideeën over de revolutie moest je niet bij de harde kern van de revolutionaire activisten zijn maar bij de schil daar omheen: de communisten, maoïsten, trotskisten en anarchisten. De revolutionairen van deze schil verafschuwden de blinde bereidheid tot geweld van de harde kern en het zelfgekozen isolement van waaruit die opereerde. Zij zochten juist het contact met de massa's. Zij zagen zichzelf als de revolutionaire voorhoede die de massa's naar de heilstaat zou leiden. Dan moest je die massa's niet afschrikken met ruwe taal over bommen en granaten.
Onderling verschilden die communisten, maoïsten, trotskisten en anarchisten hevig van mening over de revolutionaire strategie. En ze koesterden nogal verschillende voorstellingen van de heilstaat. De een keek naar China, de ander naar de Sovjet-Unie, Cuba had aanhangers, maar ook Albanië, de DDR, het Chili van Allende en zelfs het Cambodja van Pol Pot. En zoals deze staten elkaar vaak verketterden, zo verketterden hun Nederlandse bewonderaars elkaar ook. Maar ze koesterden één en dezelfde droom: als de massa's eenmaal zouden inzien dat zij het bij het rechte eind hadden, was de revolutie nog maar een kleine stap.

Niet te fanatiek
Tientallen trotskisten, een paar honderd maoïsten, ongeveer evenveel anarchisten en enkele duizenden communisten waren er in de jaren zeventig heilig van overtuigd dat binnen afzienbare tijd de macht aan hen zou toevallen. Om dat onvermijdelijke doel dichterbij te brengen leverden velen van hen enorme inspanningen. Ze offerden alles aan de revolutie op – alles behalve hun leven.
Ziedaar de revolutionaire garde van de Nederlandse jaren zeventig. In Tien rode jaren: Links radicalisme in Nederland, 1970-1980 (dat eind maart uitkomt bij uitgeverij Ambo) komen ze in al hun verscheidenheid aan bod. Daaruit komen ze naar voren als fanatiek, moralistisch, opofferingsgezind, streng, intelligent en zelfovertuigd. Ze werden heen en weer geslingerd tussen de angst voor een rechtse coup en de hoop op een linkse; bij de gewelddadige harde kern overheerste de angst, bij de anderen eerder de hoop. Het wereldbeeld van beide groepen had paranoïde trekken. Overal loerde de rechtse reactie in de gedaante van het grootkapitaal, de staat of de geheime dienst. Vandaar de neiging tot isolement. De rijen moesten koste wat het kost gesloten blijven, afwijkingen moesten grondig worden bestreden. Dat vereiste een straffe, verticale organisatie, een centrale leiding en geheimhouding naar buiten. Binnen de organisatie bekeek men elkaar met wantrouwen, proefde men elkaars politieke nieren en was het dringen om de macht. Men cultiveerde een levensstijl die sober, arbeideristisch en gedisciplineerd was.
Nederlandse revolutionairen waren in veel opzichten net gewone Nederlanders: niet té fanatiek, niets ten koste van alles, niet al te veel risico's, niet de held uithangen, doe maar gewoon dan doe je al revolutionair genoeg. Ze werden niet gedreven door haat jegens hun fascistische ouders zoals de Duitse revolutionairen, niet geïnspireerd door grootse filosofische ideeën zoals de Fransen, niet bevlogen door theatrale fantasieën zoals de Italianen en ze kenden de rechtse dictatuur niet van zo nabij als de Spanjaarden, Portugezen en Grieken. Anders dan in de ons omringende Europese landen bestond er geen onoverbrugbare kloof tussen de Nederlandse revolutionairen en de rest van de bevolking. In Nederland stonden geen onverzoenlijke fronten tegenover elkaar. Zoals de revolutionairen destijds zelf al toegaven, was er altijd nog ruimte voor dialoog. Revolutionaire groepen waren ingebed in een omgeving die vierentwintig uur per dag bereid was tot discussie. De Nederlandse onderhandelingscultuur en de linkse, progressieve consensus hielden de extremisten in het gareel. Iedere extremist kon op elk moment uit zijn revolutionaire organisatie stappen en toch links en activistisch blijven.

Voetbal
Deze polderextremisten droegen ertoe bij dat de jaren zeventig de titel 'het rode decennium' verdienen. Maar dat wil niet zeggen dat zij het gezicht van de jaren zeventig bepaalden. Hun rol was even marginaal als hun getalsmatige omvang. Het punt is dat hun ideeën, hun houding en hun moraal niet zo heel erg verschilden van die van grote delen van de Nederlandse bevolking. Het decennium was rood omdat heel veel Nederlanders min of meer rood waren. De revolutionairen waren de dieprode teint in het rode spectrum van de jaren zeventig. In de dromen en gedachten van de revolutionairen kan men in verhevigde vorm de dromen en gedachten herkennen die tal van Nederlanders met elkaar deelden. In Nederland heerste om zo te zeggen een linkse, progressieve consensus. Veel Nederlanders waren net als de radicalen bereid hun stem te verheffen tegen het onrecht in de wereld, tegen de neokoloniale uitbuiting in de ontwikkelingslanden, tegen de krankzinnige wapenwedloop, tegen de veronachtzaming van het milieu en tegen de achterstelling van minderheden. En velen waren bereid op te komen voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, voor de emancipatie van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen, voor de directe invloed van burgers op het bestuur en voor het experimenteren met nieuwe woon- en levensvormen.
Revolutie was in de jaren zeventig een voor velen acceptabel fenomeen. Met name linkse revoluties in verre landen konden rekenen op brede sympathie. Pas langzaam drong het besef door dat ook linkse revoluties bloedig waren en vaak wrede repressie met zich meebrachten. De Culturele Revolutie in China van eind jaren zestig en zelfs de revolutie van Pol Pots Cambodjaanse Rode Khmer eind jaren zeventig kregen lange tijd een goede pers in de linkse bladen. Maar wanneer het om het eigen land ging, reserveerde men het woord 'revolutie' liever voor afgeperkte deelgebieden van het leven dan voor het grote geheel. Revoluties in het onderwijs, de popmuziek, het theater, de wetenschap en het voetbal waren acceptabel en zelfs gewenst, maar een revolutie van het complete maatschappelijke bestel was voor de meesten niet aan de orde. Behalve voor die paar duizend revolutionaire dromers in hun kleine maar fanatieke politieke organisaties.

Verlangens[b/]
Hun droom duurde niet lang. In de tweede helft van de jaren zeventig kwam langzaam maar zeker de ontnuchtering. De belangrijkste oorzaak van het ontwaken uit de revolutionaire droom is heel banaal: er stond een nieuwe generatie radicale activisten op, een generatie die brak met de revolutionaire stijl van actievoeren.
Voor die nieuwe generatie activisten woog de ideologische rimram een stuk minder zwaar. De neiging om hun activisme te rechtvaardigen met een alomvattende revolutionaire theorie was veel kleiner. De zaak zelf bood genoeg rechtvaardiging. De kernwapens, het milieu, de onderdrukte bevolkingsgroep, het uitgebuite volk, de eigen werkplek, de eigen buurt, de eigen sekse en de eigen seksuele geaardheid leverden ieder voor zich voldoende aanleiding om tot actie over te gaan. De nieuwe generatie hield er geen wereldbeelden meer op na waarin alles met alles samenhing. Haar wereldbeeld was niet ideologisch, niet revolutionair en in belangrijke mate ook niet politiek. Natuurlijk ging het de jonge activisten erom invloed uit te oefenen op politieke beslissingen en daar slaagden ze ook regelmatig in, vaker dan de revolutionaire activisten. Maar daartoe bewandelden ze niet per se de politieke weg. Ze hielden niet van politieke lobby's of politieke bondgenootschappen. Hun eigen organisaties waren uitdrukkelijk niet politiek zoals die van de revolutioniaren. Ze werkten het liefst in basisgroepen. De verticale structuur van revolutionaire organisaties maakte plaats voor de horizontrale structuur van losse kernen rond een gemeenschappelijk thema. Revolutionaire organisaties werden afgelost door radicale bewegingen.
Het revolutionaire activisme zorgde weliswaar voor heel wat rumoer maar slaagde er niet in grote groepen mensen voor zijn ideologisch zwaar beladen doeleinden te winnen. Het radicale activisme slaagde daar veel beter in. Met name de vredes- en de milieubeweging wisten grote aantallen mensen op de been te brengen. Eind jaren zeventig was Nederland een Actieland geworden. Gedurende tien rode jaren had de natie, aangevuurd door een radicale, activistische voorhoede, geleerd dat je voor bijna alles een actiegroep kon oprichten en dat je daarmee de autoriteiten tot een serieus antwoord kon dwingen. De jaren zeventig waren in dat opzicht een leerschool voor burgerlijke mondigheid. Dat is een blijvende erfenis van het rode decennium gebleken. Nederland is nog altijd een land waar mensen makkelijk de straat op gaan of anderszins de openbaarheid zoeken om hun verlangens kenbaar te maken. In die zin leven de jaren zeventig nog altijd voort.

[b]Tolerantie

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig kwamen ook de overgebleven revolutionaire organisaties tot de slotsom dat je voor wereldomspannende idealen nauwelijks volk op de been krijgt. Communisten, maoïsten en trotskisten maakten een proces door van ontideologisering. Hun organisaties veranderden van getuigenispartijen in actiepartijen. Ze versmolten hoe langer hoe meer met de nieuwe sociale bewegingen die hadden laten zien dat je alleen met doelgerichte acties zonder ideologische poespas de massa's in beweging krijgt. Dat dat niet ten koste hoeft te gaan van de radicaliteit bewijst het aantal harde confrontaties, illegale acties en gewelddadige protesten die de nieuwe sociale bewegingen in de jaren tachtig op touw zetten.
Om het bijzondere van de jaren zeventig helder in het vizier te krijgen is in Tien rode jaren ook een hoofdstuk opgenomen over de gebeurtenissen en tendensen die in de jaren zestig vooruitwijzen naar de jaren zeventig. De belangrijkste autoriteit op het gebied van de Nederlandse jaren zestig is een Amerikaan. De in Orange City, Iowa, geboren en rijkelijk met Nederlandse familieleden bedeelde James C. Kennedy schreef Nieuw Babylon in aanbouw: Nederland in de jaren zestig. Daarin betoogt hij dat het bijzondere van de Nederlandse jaren zestig de grote welwillendheid en meegaandheid was waarmee de bestuurlijke en culturele elites de roep om modernisering beantwoordden. Uit angst de boot van de moderniteit te missen kwamen de elites de protesteerders liever een eind tegemoet dan een openlijke confrontatie met hen aan te gaan. “De repressieve tolerantie werkte uitstekend in Nederland,” licht Kennedy desgevraagd toe. “Er was onder de elites een evidente bereidheid om te praten en te onderhandelen. Niet dat het altijd even gemeend was of altijd even enthousiast gebeurde, maar de elites zagen dat het in hun eigen belang was om de spanning niet te hoog te laten oplopen.”
“Het is ook een grondtrek in de Nederlandse geschiedenis,” benadrukt Kennedy. “Neem de Verlichting in de achttiende eeuw. Die was in Nederland lang niet zo radicaal als elders. Hier waren geen fanatieke vrijdenkers. De cultuurkritiek was milder, zachter, meer religieus getint. Men geloofde in de goedheid van de eigen instituties. Men vermeed confrontaties omdat men dacht dat het allemaal wel goed zou komen. Datzelfde zie je bij de Nederlandse radicalen in de jaren zeventig.” Zelfs onder de revolutionaire activisten van begin jaren zeventig overheerste optimisme over de uitkomst van de maatschappelijke strijd. Pessimisme was in Nederland alleen te vinden bij kleine groepen somberaars die meenden dat ons land dezelfde 'fascistische' richting op ging als Duitsland. Begin jaren zeventig waren dat de revolutionaire activisten van de harde, gewelddadige kern. Zij vormden echter een kleine minderheid temidden van een overmacht aan revolutionaire activisten die hardnekkig bleven geloven dat ze samen met de massa's in staat waren de Nederlandse samenleving langs betrekkelijk geweldloze weg fundamenteel te hervormen.
Dat optimisme was eind jaren zeventig, begin jaren tachtig zo goed als verdwenen. Onder de radicale activisten van die jaren was het pessimisme wijd verbreid. In grote delen van de kraakbeweging en de antimilitaristische beweging en in kleinere delen van de milieu- en de solidariteitsbeweging heerste een uitgesproken politiek nihilisme. De hoop de instituties te kunnen veranderen was opgegeven, het enige dat telde was de directe actie. Dat pessimisme werd bewaarheid toen in de jaren tachtig ook in Nederland het conservatisme toesloeg dat in andere westerse landen al de overhand had genomen. De kabinetten-Lubbers probeerden Nederland te herscheppen naar het beeld van Reagans Amerika, Thatchers Engeland en Kohls Duitsland. Daar slaagden ze niet helemaal in, maar Nederland paste zich wel degelijk in tal van opzichten aan de rest van de westerse wereld aan, met name op sociaal-economisch vlak. De progressieve consensus van de jaren zeventig werd doorbroken, het activisme liep terug, links Nederland werd in de verdediging gedrongen.

Ik
Er bestaat een hardnekkige mythe die wil dat de jaren zeventig het conservatisme van de jaren tachtig zelf in de hand hebben gewerkt. Die mythe ziet de jaren zeventig niet als een tijdperk van activisme en solidariteit maar als een tijdperk waarin zelfbewustwording, zelfontplooiing en zelfbeschikking de hoogste waarden werden. Dat is de mythe van de jaren zeventig als het zogeheten 'Ik-tijdperk', een concept dat in 1979 uit Amerika werd geïmporteerd en door het weekblad Haagse Post plompverloren van toepassing werd verklaard op de Nederlandse samenleving. De boodschap was dat de jaren zeventig met hun compromisloze individualisme de basis zouden hebben gelegd voor de totaal geïndividualiseerde samenleving van de jaren tachtig, waarin ieder voor zichzelf opkwam en er geen God meer was om voor ons allen te zorgen.
Die mythe berust op twee denkfouten. In de eerste plaats verwart ze chronologie met causaliteit. Ze noemt het individualisme van de jaren zeventig de oorzaak van de maatschappelijke verkilling in de jaren tachtig louter en alleen omdat het daaraan voorafging. Die verkilling was echter in de allereerste plaats het resultaat van het omslaan van de politieke cultuur. Centrum-rechts kreeg in de jaren tachtig het roer in handen en legde Nederland een no nonsense-mentaliteit op.
De tweede denkfout is de gelijkstelling van twee verschillende soorten individualisme. Het individualisme van de jaren zeventig was heel iets anders dan het individualisme van de jaren tachtig. Het individualisme van de jaren zeventig is een moreel individualisme, gebaseerd op het geloof dat de mens in de kern goed is en dat het er daarom op aankomt die kern te doorgronden en te ontwikkelen. Het individualisme van de jaren tachtig is daarentegen een economisch individualisme, dat ervan uitgaat dat de gemeenschap het meest gediend is met calculerende burgers die hun eigen materiële belangen nastreven. Ook Kennedy ziet het verschil: “Het individualisme van de jaren zeventig liet zich heel goed verenigen met het collectivisme van diezelfde jaren. De mensen ervoeren dat destijds niet als tegenstrijdigheid. Dat de samenleving vrijer was geworden, betekende dat je je vrijwillig en op basis van een vrije keuze bij een collectief aansloot. Dat berustte op de optimistische veronderstelling dat een vrij individu uit zichzelf voor de gemeenschap kiest.” Met andere woorden, wie de jaren zeventig het 'Ik-tijdperk' noemt, oordeelt op z'n minst eenzijdig. De jaren zeventig zijn het tijdperk waarin burgers leerden individuele vrijheid te verbinden met waarden als verantwoordelijkheid, betrokkenheid en solidariteit.

Basisgroepen
De jaren zeventig hebben niet de revolutie gebracht waarnaar de revolutionaire activisten verlangden. In plaats van een politieke revolutie met de staatsmacht als inzet voltrok zich een culturele revolutie met als inzet de dominantie op het maatschappelijke middenveld. In de jaren zeventig stroomden grote aantallen afgestudeerden door naar functies op het maatschappelijke middenveld, het veld van onderwijs, zorg en maatschappelijk werk. Die nieuwe instroom, gevormd door de protestjaren, nam bezit van de verzuilde instellingen op dat veld. De confessionele waarden die er heersten, maakten plaats voor seculiere. Bovendien dijde het maatschappelijke middenveld enorm uit. Door het ruimhartige subsidiebeleid van de regering-Den Uyl ontstonden tal van nieuwe instellingen, bijvoorbeeld op het gebied van milieu, emancipatie, sociaal-cultureel werk en internationale solidariteit. Een nieuwe generatie die was gevormd door protestacties en democratiseringsstrijd, werd losgelaten op het Nederlandse volk.
Die revolutie verliep soepel en vanzelfsprekend. Dat kwam mede doordat de kloof tussen confessionele en seculiere waarden in Nederland niet zo groot, was. De 'zachte sector' werd geboren. Zelfontplooiing en sociale betrokkenheid werden gemeengoed. In Nederland groeide een mentaliteit waarin zich een linkse, progressieve consensus kon verbreiden die reikte van radicale actiegroepen tot kerkelijke basisgroepen en van revolutionaire organisaties tot het sociaal denkende deel van de confessionele politieke partijen.
De sociaal-democraten leverden het grootste draagvlak voor de linkse consensus maar waren er niet de voorhoede van. Dat waren de activisten in wijken en bedrijven, op scholen en universiteiten, in kerken en theaters, op straat en in de jaarbeurshallen. Zij wezen de weg naar een samenleving waarin burgers het voor het zeggen zouden hebben, een civil society van kritische, actieve en mondige burgers die hun lot in eigen hand zouden nemen en de overheden de wet zouden voorschrijven. Die civil society is er nooit gekomen en leeft nog altijd als lichtende toekomst voort in het politieke bewustzijn van links. Maar in de jaren zeventig kwam Nederland dicht in de buurt van dat ideaal.

Hoogtepunt
Nederland werd Actieland, een land waar de openbaarheid, mede dankzij een sterke linkse pers, werd geregeerd door actiegroepen. Weekbladen als Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer en De Nieuwe Linie voeren er wel bij. Zij volgden de actiegroepen op de voet, richtten er speciale rubrieken voor in en hadden nooit zulke hoge oplagen als in die jaren.
Het is die linkse, progressieve consensus die de Nederlandse jaren zeventig uniek maken. In de jaren zeventig leerden burgers de vrijheid die in de jaren zestig was bevochten, maatschappelijk vorm te geven. Vrijheid en verantwoordelijkheid gingen hand in hand. Zelfontplooiing was een groepsproces. De zorg voor het eigen ik viel samen met de zorg voor de gemeenschap. Nederland was in de jaren zeventig een morele proeftuin waarin burgers met vallen en opstaan op zoek gingen naar de optimale balans tussen de grootst mogelijke vrijheid en het grootst mogelijke engagement. Er zit wat dat betreft een kern van waarheid in de hoogdravende woorden die de journalist René Zwaap tien jaar geleden invielen toen hij een inleiding schreef voor een special van De Groene Amsterdammer over de jaren zeventig. Hij noemt daarin het rode decennium een “hoogtepunt in de menselijke beschaving”, “met zijn mengeling van dromerij, engagement en absolute verwerping van iedere vorm van marktdenken, zijn streven naar ‘ontdekking van je eigen ik’, zijn experimenteerlust en zijn bijna negentiende-eeuwse overgevoeligheid voor het leed op de planeet Aarde”.
Tien rode jaren lang was Nederland een progressief paradijs. Tot de kille zakelijkheid van de jaren tachtig er een eind aan maakte. De conservatieve meerderheid die gedurende de jaren zeventig had gezucht en gezwegen onder de linkse hegemonie, heroverde de macht die haar getalsmatig altijd al toekwam.

Antoine Verbij is freelance journalist te Berlijn. Maart 2005 verscheen zijn boek Tien rode jaren; links radicalisme in Nederland, 1970-1980 (Ambo).

De Helling 2005/1


Inhoud 2005/1