door Thomas van Slobbe en Jack van Mildert
Héél, héél vroeg in de ochtend, niet lang voordat de zon aan de horizon verschijnt, is de nacht op zijn donkerst. Donker, koud en vochtig.
Je kunt geen kant op, want de nacht maakt geen onderscheid.
Beweging is illusie; iedere plek is gelijk.
Zelfs als je blijft lopen, staat alles stil.
Je kunt niet zien waar je bent; de sterren stralen net zo makkelijk boven de Russische steppe als boven iedere willekeurige Nederlandse polder.
Soms kun je het ruiken.
Is daar de vage geur van appelbloesem?
We draaien ons hoofd naar boven en snuiven de donkere lucht voorzichtig in, maar hoe meer we ons best doen om de geur te definiëren, hoe onzekerder we worden.
Zonet, nog geen half uur geleden, barstte boven ons hoofd een hels kabaal los. Twee vogels vlogen elkaar in de veren. Kreten klonken. Takken kraakten.
En we voelden ons vreselijk onthand, omdat we gewoon geen flauw idee hadden van wat er gebeurde. (Waren het buizerds? Uilen?)
Het was zelfs een beetje eng.
Het is bitterkoud.
Stapvoets verkennen we onze omgeving. Doorns, voelen we. Een struik, nee, een heg. Ademloos betasten we de takken. Een voet zakt weg in een greppel, zo diep dat het water de schoen in loopt.
Het zacht-soppende geluid golft langzaam door de stilte.
We willen onze aanwezigheid niet graag verraden door teveel geluid te maken en blijven een ogenblik stokstijf staan.
Je weet nooit wat er daar op het land allemaal rondloopt.
‘Dààr’.
‘Op het land’.
Zo in de eenzaamheid, in het duister, hou je weinig zekerheden over.
De angst doet denken aan een tekst van Sartre. Deze Franse filosoof beschreef eens waarom de aanblik van een kastanjeboom hem angst aanjoeg:
“Zo-even zat ik dus in het park. De wortel van de kastanjeboom groef zich in de aarde, vlak onder de bank waarop ik zat. Ik wist niet meer dat het een wortel was. De woorden waren verdwenen en, met hen, de betekenis van de dingen, de manier waarop je ze moet gebruiken, de onbeholpen merktekens die de mensen op de buitenkant ervan hebben aangebracht. Ik zat daar, een beetje ineengedoken en met gebogen hoofd, alleen tegenover de donkere, knoestige massa in oerstaat die me bang maakte.”
Sartre schrok terug voor het overweldigende karakter van zijn waarnemingen, het stootte hem af, terwijl je er juist ook een vertrouwd gevoel van ‘werkelijkheid’ aan kan ontlenen.
Misschien heeft de werkelijkheid altijd iets engs.
Eng en ontzagwekkend, mooi, teder, wild, zacht en hard tegelijk.
Dit zou je voor geen goud willen missen.
De dageraad naakt; vage tinten paars en blauw breken de duisternis.
In silhouetten krijgen de struiken en bomen langzaam vorm. Straks zullen de reeën zich weer laten zien, onbevangen in de schemering.
De kou houdt aan zolang het land ondergedompeld blijft in een zee van nevel.
Een vogel verlaat een boom en verdwijnt laag over het weiland. Nu pas is te zien dat het een buizerd is. Geen kerkuil.
Boven op de neveldeken zijn eilandjes te herkennen in zwart en wit. Ze maken een zacht grazend geluid en golven als bootjes heen en weer. Het duurt even voor we er koeien in herkennen. Ze kijken ons nieuwsgierig aan.
Op dit tijdstip is het makkelijk om de koeien als dieren te waarderen. Levende wezens. Je betrapt je er overdag soms op dat je ze bijna als een soort meubelstukken gaat beschouwen. Pionnen in het schaakspel van voedselproductie en landschapsbeheer.
Vanochtend, in de schemering, is dat ondenkbaar.
Het land blijft, eventjes nog, ongedefinieerd, en wordt dan verder ingekleurd.
Een nieuwe dag verdrijft de duisternis.
De vormen en kleuren geven enig houvast.
Dit landschap, dat in zijn geheel te alomvattend, te overweldigend is om onder woorden te brengen, wordt in hapklare brokjes opgeknipt: een koe, een boerderij, een natte, natte voet.
Met de zekerheden van de dag, verschijnen overigens ook de vragen.
Soms weet je niet meer wat je van het landschap denken moet.
Op sommige plaatsen lijkt het gewoon te verbrokkelen, hapklaar, in steeds kleinere stukjes – hier een villawijk, daar een spoorwegemplacement, een viaduct, een bedrijvenpark, een opslagloods – tot er helemaal niets van overblijft.
Op andere plaatsen wordt het landschap juist mooier. Knotwilgen, poelen, beekjes, bermbloemen en houtwallen, zelfs de kerkuil komt terug.
Natuurbeschermers en agrariërs zoeken naar nieuwe wegen om de pracht van het Nederlandse landschap veilig te stellen.
Beleid meandert als een stroompje door ons land; soms als een net ontsprongen bronbeekje dan weer als een buiten haar oevers tredende rivier.
Een rivier die voor veel mensen helaas maar al te vaak een onoverbrugbare barrière vormt. Op basis van verstandig, weldoordacht beleid, zijn in bijna ieder natuurgebied bordjes neergezet, hekken geplaatst, regels opgesteld. “Het is verboden de paden te verlaten”. “Geen toegang na zonsondergang”. “Waag het niet in bomen te klimmen of bessen te plukken”. “Pas op! U nadert een natuurgebied!”.
Ondanks alle goede bedoelingen wordt de mens zo op afstand van dit prachtige land gesteld. Regelneverij viert hoogtij. Overheid en natuurbeschermers zijn betuttelend geworden. Bevoogdend. En dat in een tijd waarin de ontvoogding van de burgers hoogtij viert.
Is het gek dat steeds meer mensen afhaken?
Jongeren…nieuwe Nederlanders… hele gezinnen komen nooit meer in het bos.
De zon heeft zich inmiddels ruim boven de horizon genesteld en strooit met haar licht ook de eerste warmte over het land.
We schudden de weerzin tegen de betutteling van ons af en ademen de warmte met volle teugen in.
De eerste vogels zingen zich de slaap uit de veren.
Een torenvalk stijgt op uit het struikgewas. Klimt hoger en hoger om daarna met zijn kop in de wind stil te blijven hangen. Overziet hij een groter geheel of zoomt hij in op een mogelijke prooi ?
Maakt het luchtruim de vrijheid in ons wakker? Willen we de fragmentatie overstijgen? Het verlangen naar een puzzel waarvan ieder stukje op zijn plaats valt?
Vanuit de lucht kan zelfs een industriegebied verwondering oproepen. De hoeveelheid wegen die als bloembladeren het centrum ontsluiten.
Terug op aarde bots je letterlijk tegen de begrensde ruimte.
Zal een vogel dit beseffen? Of de mol die gewenst of ongewenst van gazon tot gazon kruipt?
Een dauwdruppel valt van een tak in een nek en kruipt langzaam langs de ruggengraat omlaag.
Je observeert niet meer, maar resoneert. Dat wat gezien wordt, is dat wat kijkt.
We vervolgen onze weg, doorkruizen het landschap als een ree en laten ons meevoeren langs geheime richtingaanwijzers.
Het wordt een dag om de hele tijd buiten te zijn….
Thomas van Slobbe is auteur en algemeen directeur van Stichting wAarde. In 2005 verscheen zijn boek: Dagboek van een Lege Plek.
Jack van Mildert is kunstenaar en initiatiefnemer van onder meer het Stimuleringsfonds voor avontuurlijk groen in de polder (S.A.P.) en Hellend Vlak (de wikkel van De Helling)
Fragmenten uit bovenstaande tekst zijn eerder gepubliceerd in De koe en het Nederlandse Landschap (Uitgeverij wAarde / ISBN 90-76661-04-9)
De Helling 2005/2