de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Vragen aan links

door Ewald Engelen

Ewald Engelen is als financieel geograaf verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en op projectbasis werkzaam bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

De vraag: ‘Wat is links?’, vaak voorzien van het woordje ‘nog’, is een steeds terugkerende. Het is de vertwijfelde vraag naar linkse relevantie door de voorstanders ervan en een schampere uitspraak over de irrelevantie van links door haar tegenstanders. Globaal is de linkse irrelevantie een kwestie sinds de geslaagde politieke en sociaal-economische emancipatie van de arbeider in de vorige eeuw. Nu de bijstandspoot van de verzorgingsstaat alleen nog maar wordt gebruikt door allochtonen en bijstandsmoeders helt ook links in de discussie over de grens tussen collectieve en individuele verantwoordelijkheid nadrukkelijk over in de richting van het individu. Daarmee lijken de ideologische tegenstellingen vervaagd en is het niet verwonderlijk dat genoemde vraag opdoemt.
Echter, het onderscheid tussen links en rechts kent meer dimensies dan alleen de sociaal-economische. Grofweg kunnen historisch gezien vier grote politieke kwesties worden onderscheiden die bepalend zijn (geweest) voor de ideologische tegenstellingen. Dat zijn: de kwestie van de maatschappelijke ordening, de kwestie van de economische ordening, de kwestie van het goede leven en de kwestie van de aard van de nationale gemeenschap.

1. Maatschappelijke ordening
Cruciaal is hier de gebeurtenis van de Franse revolutie van 1789. Met als strijdkreet Liberté, Égalité, Fraternité werd in het collectieve mondiale bewustzijn het zaad geplant van sociale en maatschappelijke emancipatie, dat wil zeggen sociale stijging. In de plaats van een premoderne, statische standenmaatschappij waarin ieder het zijne kreeg, kwam een moderne, egalitaire samenleving waarin in beginsel iedereen gelijkwaardig was. Dit idee wordt bevestigd als rond 1848 in de meeste Europese staten een liberaal-democratische constitutie wordt ingevoerd. Anders dan voor de kwesties die hieronder aan bod komen, geldt voor die van de maatschappelijke ordening dat zelfs hedendaagse conservatieven de verworvenheden van de Franse revolutie met betrekking tot de verhouding tussen staat en maatschappij niet zouden willen terugdraaien. Met andere woorden, dit is ruim twee eeuwen na dato geen kwestie meer. Gelijkheid en emancipatie zijn gezonken cultuurgoederen. Oftewel, we are all liberals now!

2. Economische ordening
Met het wegvallen van de morele en juridische restricties op economisch verkeer ontstond in de 18de eeuw in een groeiend aantal landen een economische orde die werd gekenmerkt door marktruil. De legitimatie hiervoor is een liberale. De vrijheid van het individu om contractuele relaties aan te gaan waarborgt een efficiënte verdeling van schaarse middelen en draagt zo bij aan materiële welvaart.
Deze liberale revolutie veroorzaakte echter een aantal perverse effecten die een vruchtbare voedingsbodem bleken voor politieke mobilisatie. De stedelijke concentratie van het landloze proletariaat als gevolg van de industrialisatie ging gepaard met toenemende armoede, honger, verpaupering, ziekte, alcoholisme en moreel verval. Het inzicht dat onder het vrijheidsabsolutisme van de liberalen de vrijheid van de een ten koste ging van die van de ander viel onmogelijk te ontlopen, zelfs niet door de liberale elite. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw mobiliseerden sociaal bewogen juristen, pedagogen, voorlieden en letterkundigen — oftewel de Troelstra’s, de Polakken, de Wibauts, de De Miranda’s en de Roland Holsten van Nederland — steeds grotere groepen arbeiders om te strijden voor gelijke rechten en dus voor beperkingen aan de handelingsvrijheid van de bevoorrechten. Met de uitbreiding van het kiesrecht verloopt deze strijd voornamelijk via de parlementaire arena en mondt zij in de meeste Europese staten uit in de geleidelijke uitbouw van een verzorgingsstaat.
De Hongaarse politieke econoom Karl Polanyi noemde in 1944 de overgang van een feodale economie naar een markteconomie ‘de grote transformatie’. Hij eindigde zijn boek met de aankondiging van een tweede grote transformatie, namelijk die van een markteconomie naar een ‘sociale markteconomie’. Anno 2005 kampen we met de naweeën van de derde grote transformatie: die van een sociale markteconomie naar een geïnternationaliseerde neoliberale economie. Hoewel er groeiende kritiek is op de globalisering en haar effecten, beïnvloedt die niet of nauwelijks de agenda van de politieke mainstream. Daar heeft dé markt namelijk het pleit van dé staat gewonnen. Met het verscheiden van de staatssocialistische planning aan gene zijde van het gordijn lijkt het enige alternatieve economische ordeningsmodel te zijn verdwenen.

3. Het goede leven
De verzorgingsstaat was als compromis tussen christen-democraten, sociaal-democraten en liberalen mogelijk doordat het zich afzijdig hield van het goede leven. In de woorden van de politieke filosoof John Rawls: de verzorgingsstaat ging over the right niet over the good. Oftewel, de staat had slechts verantwoordelijkheid voor de voorwaarden en diende zich verre te houden van het voorschrijven van een opvatting over het goede.
In die eerste naoorlogse decennia viel veel te zeggen voor een dergelijke neutraliteit, zeker in de Nederlandse context. Het goede leven werd immers in belangrijke mate binnen de eigen zuil geleefd en ten aanzien van die zuilen paste de staat omzichtigheid, neutraliteit en afgewogenheid. Als gevolg van gestegen opleidingspeil en toegenomen welvaart, verslapte echter allengs de greep van die zuilen op het particuliere bestaan. Aloude bronnen van legitiem gezag en autoriteit als grotere deskundigheid, Goddelijke benoeming en traditie boetten geleidelijk aan belang in. Daarmee kwam de bepaling van het Goede, het Ware en het Schone op losse schroeven te staan. De eigen identiteit en de eigen levensstijl werden in toenemende mate als het product van eigen keuzes gezien, die zich bovendien aan kritiek onttrokken doordat breed geaccepteerde maatstaven voor dergelijk kritieken waren komen te vervallen.
In het morele vacuüm dat als gevolg van de ontzuiling ontstaat, zijn libertair socialisten, liberalen en (later) populisten een wonderlijk verbond aangegaan. Voortbouwend op een terechte strijd tegen het paternalisme van de zuil en de staat, verwordt de linkse zelfontplooiingsideologie van de 68-generatie tot het neoliberale egoïsme van het ‘lekker je eigen ding doen’ van de jaren tachtig en uiteindelijk het ‘zeggen-wat-je-denkt’-populisme van de eerste jaren van de 21ste eeuw.
Dit kan worden geïllustreerd door wat zich heeft voorgedaan op het vlak van de media. Voortgekomen uit het subversieve verzet van ‘vrije jongens’ en progressieve anti-etatisten jegens de bekrompenheid van het verzuilde bestel, zijn de radio- en tv-piraten van weleer in de jaren tachtig en negentig uitgegroeid tot eigenstandige spelers op de Europese mediamarkt en hebben zij zich inmiddels ontpopt tot de voornaamste aanjagers van de populistische revolte die Nederland nu reeds drie jaar in zijn greep houdt. Een ander voorbeeld is de seksuele bevrijding van de jaren zestig, die behalve een gezonken cultuurgoed meer en meer is getransformeerd in handelswaar. De bevlogen voorvechters van de libertijnse levensstijl van weleer zijn niet zelden de entrepreneurs van de commerciële seks van vandaag. Seksuele zelfbeschikking is verworden tot een plicht tot continue seksuele beschikbaarheid, terwijl het taboe op seksueel expliciete afbeeldingen is vervangen door een vrijwel totale seksualisering van de publieke ruimte.
Tegen deze combinatie van ‘zedenverwildering’, onfatsoenlijkheid, privatisering van geloof en gemeenschap en commercialisering is sedert enige jaren een vooralsnog schroomvallige strijd gaande. Met zijn adviesaanvraag aan de WRR over de noodzaak en mogelijkheid van een ethisch reveil heeft Balkenende een eerste kristallisatiepunt gecreëerd waaromheen zich in de naaste toekomst een neoconservatieve beweging zou kunnen plooien. Daarbij wordt schaamteloos gesteund op de neoconservatieve en neocommunitaristische bewegingen in de Verenigde Staten. In dit gedachtegoed ligt de nadruk op normgeleid gedrag (Gesinnungsethik), fatsoen, preutsheid en repressie. Verrassend genoeg ontbreekt het de neoconservatieve beweging aan een adequate analyse van de aanjagende rol van het kapitaal, de markt en de commercie bij de verspreiding van geilheid, onfatsoen, egoïsme en corruptie.

4. De natiestaat
In zowel de liberale, de socialistische als de christen-democratische politieke tradities zijn momenten aan te wijzen waarop het vanzelfsprekende karakter van de natiestaat als lotsgemeenschap in twijfel werd getrokken. In het laatste geval bijvoorbeeld als het gaat om de katholieke loyaliteit aan Rome, in het tweede geval als het gaat om ‘de internationale’ en in het derde geval als het gaat om vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en mensen. Niettemin hebben ze zich neergelegd bij de natiestaat als gegeven organisatorische, infrastructurele, juridische en morele eenheid.
De vanzelfsprekendheid van de natiestaat blijkt zowel een kracht als een zwakte. Als gevolg daarvan leek hij het namelijk zonder onderhoud te kunnen stellen. Wie tot de natie behoorde was evident en wat het betekende daar toe te behoren behoefde evenzeer. Met de tweede globaliseringsgolf vanaf de jaren zeventig werd duidelijk dat de natiestaat minder vanzelfsprekend was dan gedacht en dat voor de binding van individuen en organisaties wel degelijk sociaal-cultureel onderhoud nodig was. Momenteel omarmt zowel links als rechts het idee dat solidariteit alleen gestalte kan krijgen binnen de grenzen van de natiestaat, dat om die reden verdergaande migratie moet worden tegengegaan, en dat reeds aanwezige migranten met kracht moeten worden heropgevoed tot goede Nederlanders die ‘onze’ normen en waarden in woord en daad uitdragen.
Dat nationale solidariteit zwaarder weegt dan internationale solidariteit blijkt ook uit afnemende ontwikkelingshulp, toenemend economisch nationalisme en afnemende aandacht voor internationale milieuakkoorden. Dat politieke voorstanders van een restrictiever migratiebeleid niet inzien dat hun pleidooi voor menselijke immobiliteit haaks staat op de financiële, culturele, industriële en agrarische globalisering die zijzelf met hun dereguleringsbeleid in gang hebben gezet en bovendien botst met de universalistische aannames in hun respectievelijke gedachtegoed (‘Wij zijn allen gelijk voor het aangezicht Gods’, ‘De ontplooiing van de een is voorwaarde voor de ontplooiing van de ander’, ‘De vrijheid van de een is voorwaarde voor de vrijheid van de ander’) is illustratief voor de mate waarin politieke bewegingen ideologisch gevangen zijn in het model van de natiestaat.

Links alternatief
Met het verdwijnen van het klassenbegrip in de analyses van de linkse beweging is het idee van bescherming via de verzorgingsstaat, de herverdeling via progressieve belastingheffing, de emancipatie via onderwijspolitiek en de aandacht voor internationale solidariteit vervaagd. Links ziet geen alternatief meer voor marktruil en ook links heeft er geen moeite mee om met een beroep op de eigen verzorgingsstaat immigranten buiten te sluiten. Hoewel schoorvoetend belijdt nu ook links de noodzaak van inburgering om migranten ‘onze’ normen en waarden te leren. Bovendien wordt links gekenmerkt door nieuwe flinkheid ten aanzien van afwijkend gedrag. Net als in de jaren vijftig wordt ingezet op repressie en eigen schuld terwijl sociaal-wetenschappelijke aandacht voor achterliggende oorzaken als vergoelijkend wordt afgedaan. Wat opmerkelijk is aan deze politieke stellingnamen is de grote overeenkomst met rivaliserende ideologische bewegingen. Behalve in retoriek, ritueel en gebaar is links niet te onderscheiden van het neoliberalisme van bijvoorbeeld de VVD. En alleen op het punt van staatspaternalisme en fatsoensrakkerij onderscheidt links zich nog van de Christen-democratie. De vraag is hoe lang.
Zo bezien zijn er inderdaad geen ideologische tegenstellingen meer. Maar dat betekent niet dat er geen politieke uitdagingen meer zijn, nieuwe en oude, die het linkse project nieuw leven kunnen inblazen. Dat gaat echter niet vanzelf. De eerste stap die moet worden gezet is een imaginaire. Links moet een grotere denkruimte voor zichzelf opeisen. Mede onder druk van de roep om realisme neigt links ernaar aan zelfcensuur te doen. Voor een deel is dat te herleiden tot naar elkaar toe kruipende coalitiepartners, voor een ander deel heeft dat te maken met een te eenzijdige samenstelling van de deelnemers aan publieke en partij-interne debatten. Met name binnen de PvdA overheersen sociale wetenschappers die hun vorming hebben genoten onder de vleugels van een radicaliserend Marxisme dat zij in de jaren tachtig en negentig al even radicaal hebben afgeworpen. Als gevolg daarvan ontbreken binnen de PvdA, en in mindere mate Groen Links, de intellectuele hulpbronnen die nodig zijn voor het construeren van een aantrekkelijk alternatief.

Consumptiedrift
Zo’n alternatief dient zich over ten minste drie van de hierboven besproken politieke kwesties opnieuw uit te spreken. Ten eerste die van de economische ordening. Te lang is het denken daarover getekend door de tegenstelling tussen staat en markt. Uit de vergelijkende politiek-economische literatuur weten wij dat er verschillende vormen van kapitalisme bestaan. Het is zinloos om in Europees verband te streven naar imitatie van de Verenigde Staten en er zijn goede economische redenen om de bestaande beperkingen van economische vrijheden te handhaven. Het is eenvoudig niet waar dat milieurichtlijnen, cao’s, minimumlonen, publieke dienstverlening en ontslagbescherming economische dynamiek in de weg staan. De Duitse arbeidssocioloog Wolfgang Streeck spreekt in dit verband liefkozend van beneficial constraints, oftewel: weldadige beperkingen.
Dat wil niet zeggen dat er geen grote uitdagingen zijn. De Nederlandse bevolking vergrijst en ontgroent, loonmatiging drukt het innovatievermogen, de grotere toegankelijkheid van Nederlandse markten stelt Nederlandse ondernemingen bloot aan de prijsconcurrentie van veel grotere multinationals van buiten – om er een paar te noemen. Zaak is het om te zoeken naar institutionele arrangementen die aansluiten bij de corporatistische aard van de Nederlandse economie en die een betere combinatie van flexibiliteit en zekerheid beloven dan de neoliberale voorkeuren van de huidige elite. Waarom kan er niet een apart pensioenfonds naar Zweeds model worden opgezet voor flexwerkers en zelfstandigen zonder personeel? Waarom kan de band tussen Nederlandse pensioenfondsen en Nederlandse woningbouwcorporaties die met de bruteringsoperatie van 1995 is doorgeknipt niet worden hersteld? Waarom kan niet het Duitse voorbeeld worden gevolgd bij het opzetten van een goed, praktisch georiënteerd leerlingstelsel? In principe is de kennis er, nu komt het erop aan haar politiek te gebruiken.
Ten aanzien van het goede leven doet links er goed aan haar te simpele individualisme te laten varen. Emancipatie is meer dan ‘je-eigen-ding-doen’. Iedere handeling heeft een publieke component. Grotere aandacht voor deze publieke dimensie is in dit tijdsgewricht van doorgeslagen consumptiedrift aan de orde. Institutioneel gezien betekent dat een afscheid van vraagsturing in domeinen van het dagelijks leven die door mensen als fundamenteel worden beschouwd, zoals onderwijs, volkshuisvesting, arbeidsbemiddeling, gezondheidszorg en welzijn. Cultureel gezien betekent het dat links zich niet kan onttrekken aan de noodzaak om een aantrekkelijke opvatting van het goede leven te construeren waarin die publieke dimensie een plaats heeft. Verbijsterend is bijvoorbeeld de instrumentalisering van het hedendaagse onderwijs. Vierjarigen worden getoetst op cognitieve vaardigheden en dat gaat de rest van de schoolcarrière door. Doel is het maximaliseren van human capital teneinde de economische rentabiliteit van de onderwijsinvesteringen te waarborgen. Een aantrekkelijke opvatting van het goede leven stelt daarentegen het kind centraal en kleedt de schooldag aan met aandacht voor culturele ontwikkeling, burgerschapsvaardigheden en culturele diversiteit naast renderende cognitieve vaardigheden. De koudwatervrees van links op dit gebied heeft ertoe geleid dat er geen weerwerk kon worden geboden tegen de toenemende economisering van het dagelijks leven.
Een ander element van zo’n alternatieve opvatting van het goede leven zou ontleend kunnen worden aan de opkomende consumentenbeweging die kwaliteit in plaats van kwantiteit benadrukt. In die beweging gaat het niet om meer consumptie maar om betere consumptie. De slow food-beweging is een goed voorbeeld van hoe een alternatief consumptiepatroon (minder in plaats van meer, beter in plaats van goedkoper) kan samengaan met een kritiek op schaalvergroting (de agro- en voedselindustrie) en economische versnelling (‘werk, werk, werk’) en toch aantrekkelijk kan zijn. Het ‘consuminderen’ dat de milieubeweging altijd tegen de kapitalistische consumptiedrang heeft ingebracht, steekt daar zurig bij af.

Internationaal
De derde kwestie tenslotte betreft de aard van de nationale gemeenschap. Is nationale solidariteit nodig voor het realiseren van het gewenste evenwicht tussen zekerheid en flexibiliteit? Zoals gezegd zijn links en rechts het daar over eens. De vraag is hoe dat te rijmen is met het beleid van ontgrenzing dat de afgelopen decennia op het gebied van kapitaal, goederen en diensten is gevoerd. Onze onderlinge afhankelijkheden houden zich door economische en culturele internationalisering niet meer aan nationale grenzen. In reactie op deze kwestie doet links er goed aan nader te bezien welke sociale regelingen in welke mate op welk type solidariteit berusten. Alleen regelingen als de AOW, de Bijstand, kinderbijslag en studiefinanciering stoelen op solidariteit tussen individuen die een betrokkenheid bij de natiestaat met elkaar delen. De WW, de WAO en de bedrijfspensioenen, daarentegen, zijn gebaseerd op solidariteit tussen werkenden – soms binnen het bedrijf, soms binnen de sector – die bepaalde risico’s delen. Er is weinig nationaal aan deze solidariteit. In het licht van de voortschrijdende internationalisering valt er veel voor te zeggen om het tweede type regelingen open te stellen voor migranten en het eerste type regelingen niet langer als argument te gebruiken om hen van het tweede type regelingen uit te sluiten door ze slechts stapsgewijs toegang te geven tot regelingen van het eerste type. Naast zo’n ‘burgerschapstrap’ zou onderzocht kunnen worden hoe grensoverschrijdende solidariteit op een niet-statelijke basis vorm kan krijgen. Voorbeelden zijn ondernemingsbrede pensioenregelingen van multinationals, maar ook de overdrachten van arbeidsmigranten naar hun thuisland via migratienetwerken.
Het is niet zo dat de staat er niet meer toe doet. Het is wel zo dat de staat in de wereld van vandaag minder belangrijk aan het worden is, hoezeer het Nederlandse electoraat dat blijkens het luide Neen tegen de ‘Europese grondwet’ ook betreurt. Links doet er daarom goed aan de conceptuele blokkades van de natiestaat, die zowel aan haar analyses als aan haar politieke strategieën ten grondslag liggen, achter zich te laten en de blik op te slaan naar een wereld waar zekerheid en bescherming niet langer gegarandeerd kunnen worden door nationale overheden. Wie of wat dan? Hoe? Dat zijn de vragen waar het links van morgen voor staat.

Ewald Engelen is als financieel geograaf verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en op projectbasis werkzaam bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

De Helling 2005/2


Inhoud 2005/2