door Meike Oosterwijk en Léonne van der Weegen
In tijden van angst en stigmatisering vinden velen een veilige haven in een identiteit. Maar identiteit staat vrijheid in de weg. Jean-Paul Sartre, de bijna vergeten Franse filosoof van wie we dit jaar zijn honderdste geboortedag herdenken, is plots weer uiterst actueel.
De typische jaren zestig bril, een plukje haar staat eigenwijs de verkeerde kant op. Met een microfoon in zijn hand staat Jean Paul Sartre – de filosoof van de vrijheid en het engagement – op een ton, terwijl rokende journalisten hem omringen. Gebeurtenissen gingen niet voorbij zonder zijn commentaar, althans in zijn politieke periode. En dat is de periode die men zich herinnert: de filosoof op de barricades, flirtend met het communisme, radicaal genoeg om zich niet te bekommeren om enkele mensenlevens als het de linkse strijd betrof.
Het lijkt een hachelijke onderneming zijn werk te gebruiken om het Nederland van nu te analyseren. Want wie zit te wachten op een radicale denker die het gebruik van geweld legitimeert? Zeker nu de dreiging van een terroristische aanval – na New York, Madrid en Londen – steeds dichter bij huis lijkt te komen. Maar Sartre (1905-1980) kan en mag niet worden gereduceerd tot een extremist. Daarvoor is zijn oeuvre te omvangrijk en te divers. In zijn filosofisch hoofdwerk L’Être et le Néant (1943) wordt het geweld niet gelegitimeerd. Wel laat hij daarin zien waarom het samenleven tot mislukken lijkt te zijn gedoemd. Zijn analyse is zeer actueel.
De Nederlandse samenleving gaat gebukt onder een gevoel van onveiligheid, verharding en onbehagen. Dat gevoel wordt aangewakkerd door de reële terreurdreiging die van Al-Qaeda, de Hofstadgroep en Samir A. uitgaat. Met Pim Fortuyn kreeg het onbehagen een stem, en vond uiteindelijk weerklank in het regeringsbeleid: de identificatieplicht, het recht om te fouilleren. Het zijn maatregelen die de hele bevolking treffen, terwijl de angst wordt gezaaid door een kleine groep. Openlijke xenofobie en collectieve stigmatisering bedreigen de samenleving. Na de aanslagen in Londen onderstreepte Blair direct dat “verreweg de meeste moslims, zowel hier als in het buitenland, fatsoenlijke en gezagsgetrouwe mensen zijn, die dit soort terrorisme net zozeer verafschuwen als wij”. Dat is blijkbaar geen vanzelfsprekende gedachte meer. Ook niet in Nederland, waar Geert Mak na de moord op de controversiële cineast Theo van Gogh zijn Britse, Franse en Amerikaanse collega’s hoorde zeggen: “Er worden hier artikelen gepubliceerd die bij ons gegarandeerd tot een proces wegens smaad of racisme zouden leiden”.
Lekker ding
Sartre laat zien hoe vatbaar de menselijke psyche is voor angst en hoe mensen elkaar als reactie daarop stigmatiseren en onverhoopt in strijd verwikkeld raken. Hij schreef zijn theorie over de intermenselijke verhoudingen in de tijd dat ‘Jood’ en ‘Ariër’ de stigma’s waren, midden in de Tweede Wereldoorlog. Een parallel tussen de Tweede Wereldoorlog en de hedendaagse samenleving laat zich niet trekken. Allochtonen worden immers niet in overladen treinwagons afgevoerd naar vernietigingskampen. En ook het aantal slachtoffers van de jihad-strijders komt niet in de buurt van zes miljoen. Toch is de excessief onmenselijke context als achtergrond van belang. Want mede daardoor overbelicht hij de negatieve kanten die er aan het samenleven kleven. Pessimistisch was hij over het feitelijk samenleven, maar optimistisch bleef hij over de menselijke mogelijkheden. Van Sartre kunnen we leren dat we niet machteloos op een voortdenderende trein de verharding tegemoet hoeven rijden. We kúnnen anders handelen dan uit angst kiezen voor het defensief.
Één van Sartre’s bekendste uitspraken is “de hel, dat zijn de anderen”. Relaties tussen mensen ziet hij primair als machtsverhoudingen. Hoe die verhoudingen werken, laat hij zien in zijn analyse van de blik. In de blik, de wijze waarop we een ander aankijken, zien we hem niet als mens, maar als een ding, als een object. ,,Deze vrouw die ik naar me toe zie lopen, deze man die op straat voorbij loopt, de bedelaar die ik vanuit mijn raam hoor roepen, zij zijn allen objecten voor mij – daar bestaat geen twijfel over”, schrijft Sartre in L’Être et le Néant. In de waarneming kan de ander niet anders verschijnen dan de manier waarop een boom of een fiets verschijnt. Maar een mens is geen boom. Toch kan dat onderscheid niet worden gemaakt op het moment dat je de andere mens vanaf een afstandje gadeslaat. Want de waarneming doet geen recht aan wat de mens in wezen is, namelijk: vrijheid. Bomen zijn wat ze zijn; geworteld in de aarde, zonder vrij te zijn om te bepalen welke plaats zij innemen. Anders dan de mens. Want de mens is vrijheid; zonder wortels, mét benen. Hij is vrij om bij elke stap die hij zet te kiezen welke weg hij zal gaan. Hij moet steeds opnieuw zijn plaats in de wereld bepalen.
Vrijheid is echter niet zichtbaar. Want een ander verschijnt op precies dezelfde manier als een boom. We zien iemand bijvoorbeeld als een lor, een lekker ding of een ijdeltuit. Toch is een mens wezenlijk meer dan dat. Hij ís immers vrijheid. De worsteling voor de spiegel die de ijdeltuit iedere ochtend met zichzelf voert, de keuzes die hij dan moet maken – wel of geen lipstick, een nonchalante slag in het haar, of toch maar niet – blijft voor het oog van de ander verborgen. Hem desalniettemin als ijdeltuit bestempelen, dat kan hij als bedreigend ervaren, want het betekent een veroordeling tot de ijdeltuiterij.
Burka
Vervreemding, bedreiging, veroordeling aldus. Tot het moment dat men oog in oog met elkaar staat, en er contact kan zijn. Dan staan er twee vrijheden tegenover elkaar in een hachelijke situatie. Want wie veroordeelt wie? En hoe gaan we daar mee om? Sartre biedt twee mogelijkheden. Primo: De beste verdediging is de aanval. Iemand kan altijd proberen zijn vrijheid terug te winnen door de ander met zijn blik te verslinden. De ijdeltuit kan in plaats van gestigmatiseerd te worden, zélf gaan stigmatiseren. En dan is de ander ineens onhebbelijk, onverzorgd, en wat dies meer zij. Door de ander te stigmatiseren heeft degene die gestigmatiseerd werd zijn vrijheid heroverd en zegeviert hij over de ander. Secundo: Een slaafse onderwerping, juist aan de blik van de ander, is ook een mogelijkheid om de strijd aan te gaan. Zien anderen ons als ijdel? Dan worden we toch ijdel! Als we daarin slagen, dan komen hun stigmatiserende opmerkingen minder hard aan. Ze hebben immers gelijk? De bedreigende kracht die er van hun oordeel uitgaat, verliest zodoende zijn werking.
Beide reacties zien we vandaag de dag in Nederland. Sartre’s eerste mogelijkheid – zelfverdediging door aan te vallen – nam Mohammed B. zeer letterlijk: hij wreekte zichzelf op het ongelovige Nederlandse volk, belichaamd in de persoon van Theo van Gogh. Ook Geert Wilders bijvoorbeeld, gaat in de aanval: “Moslims voeren bijna alle verkeerde lijstjes aan. Die van criminaliteit, huiselijk geweld, uitkeringen” (in Trouw). Stigmatisering pur sang.
Interessanter nog is Sartre’s tweede mogelijkheid: de slaafse onderwerping. Dit is een complexer geval van samenleven omdat er meer rekening met de ander wordt gehouden. Er wordt immers gekeken naar het beeld dat de ander van ons heeft. Marianne van der Anker (wethouder van Veiligheid, Volksgezondheid en Emancipatie in Rotterdam) signaleert: “Van hun kant ervaren de niet-radicale, vrije, westerse moslims door dat zichtbare en voelbare wantrouwen naar alle moslims afwijzing, discriminatie en uitsluiting. Dit gevoel gaat bij sommigen zelfs zo diep dat de hoofddoeken en burka’s uit de kast worden getrokken en moslims zich meer dan ooit voelen aangetrokken tot de islam” (in NRC Handelsblad). Gematigde moslims voelen zich in de hoek gedrukt door de veroordelingen uit autochtone hoek. Ze reageren hierop door zich meer en meer te identificeren met de pure islam. Zien autochtonen ons als moslims? Dan zullen we moslims worden ook. Een cru geval van aanpassing.
Absurd
Strijden met het beeld dat de ander van ons heeft, is volgens Sartre de normale manier om de eigen vrijheid te handhaven. Dan hoeven we niet naar onszelf te kijken. Dan hoeven we onszelf geen vragen te stellen over onze eigen identiteit. De ander is immers fout, want hij is ongelovig of juist gelovig. Ergo: hij moet worden bestreden.
Inschikkelijkheid met het beeld van de ander daarentegen, geeft uiting aan een diep gevoelde wens om wel naar zichzelf te kijken en om zichzelf een vastomlijnde identiteit te verschaffen. IJdeltuit of praktiserend moslim zijn, voorziet een mens van een identiteit. Daardoor weet hij wat hij is en dat stelt gerust. Want wat zou er van ons overblijven als die identiteit weg zou vallen? Niets?
Dat is echter precies wat een mens volgens Sartre in wezen is: niets. En daarmee: absolute vrijheid. Als we onszelf een identiteit aanmeten, is dat een vlucht voor de vrijheid. Want een mens ís niet zijn identiteit, maar hij ís eerst en vooral vrijheid. Zijn identiteit is daar secundair aan. Echter, vrijheid is niets. Een identiteit daarentegen is wel íets. Toch is het zich aanmeten van een identiteit een verloochening van de vrijheid, en daarmee een verloochening van dat wat íedere mens in wezen is.
De behoefte aan identiteit is menselijk. Het zou immers absurd zijn om onszelf voor te stellen met “aangenaam, ik ben niets”. Maar als een mens zich tot zijn identiteit reduceert, dan verwordt hij daarmee tot een object; onvrij en onderhevig aan determinerende wetmatigheden. Niet meer bij machte om causale reeksen te doorbreken, als een ding onder de dingen. De zelfverloochening is totaal.
In hoeverre identiteit werkelijk tot zelfverloochening leidt, is een legitieme vraag. Het gaat Sartre echter om de reductie van de vrijheid tot een identiteit. Vrijheid geeft een mens de mogelijkheid om te allen tijde zijn identiteit opnieuw te interpreteren, of in het uiterste geval zelfs af te werpen. Door deze vrijheid is de mens méér dan een ding dat niet in staat is tegen wetmatigheden in te gaan. Dankzij zijn vrijheid kan de mens waarlijk mens-zijn. Maar gemakkelijk is het niet. Sartre was zich dat als geen ander bewust. Zijn beroemde slogan is: ,,De mens is gedoemd om vrij te zijn”.
Lafhartige vlucht
Sartre heeft laten zien dat mensen in strijd verwikkeld raken doordat het primaat bij het bekijken van de ander ligt. Een probleem dat hoog opspeelt in onze tijd, waarin de vrijheid wordt bedreigd door angst, stigmatisering en strijd. Een hoofddoek of Lonsdale-kleding kunnen we zien, maar het innerlijk leven dat erachter schuilgaat niet.
Uit angst zoeken we de veilige haven van een identiteit. Want wanneer we er over uit zijn wíe (maar vooral wát) we zijn, dan hoeven we onze plaats in de wereld niet steeds opnieuw te kiezen. We blijven volharden in een eerder gemaakte keuze, niet als een vrij mens, maar als een ding. Op een zelfde manier bekijken we de ander, wiens vrijheid we daarmee onrecht aan doen. Paradoxaal genoeg geeft dat een veilig gevoel in een samenleving die als onveilig wordt ervaren. Duidelijk en gemakzuchtig.
Wat dit voor de Nederlandse samenleving betekent, verwoordt Dick Pels (publicist en mede-oprichter van de links-liberale denktank Waterland) treffend: “Naar mijn mening is het vruchtbaarder voor Nederland om een zwakke identiteit te ontwikkelen. Het is helemaal niet goed om zo zeker te weten wie je bent. Een zwakke identiteit biedt een betere opening voor de integratie, zowel van onszelf in de wereld, als van migrantenculturen in Nederland” (in NRC Handelsblad).
Sartre heeft zijn hele leven opgeroepen tot de keuze voor vrijheid. Iedere vorm van de dingmatige identiteit veroordeelt hij als een lafhartige vlucht. Het onder ogen zien van de absolute vrijheid vergt moed. Want het houvast van een identiteit gaat verloren. We kunnen niet meer zeggen wie of wat we zijn. Een standaard setje kenmerken – tolerant, sociaal, extremist – verliest bijgevolg aan betekenis. Het gaat er bij Sartre niet om wat we zijn geweest, maar om wie we willen zijn. We hebben en zijn absolute vrijheid.
Zijn we zo vrij als Sartre beweert? Een uitdaging, zeker nu in Nederland.
Léonne van der Weegen studeerde filosofie aan de RU Nijmegen; Meike Oosterwijk studeerde filosofie aan de RU Nijmegen en is freelance journaliste
De Helling 2005/4