de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Verzorgingsstaat
De wereld is van iedereen

door Henk van der Kolk

Het huidige stelsel van sociale zekerheid voldoet niet. Maar GroenLinks slaat met haar vernieuwingsplan de plank volledig mis. In plaats van mensen opjagen met boetes en kortingen, moet je ze perspectief bieden. Hier een paar alternatieve voorstellen.

Femke Halsema en Ineke van Gent hebben met hun manifest Vrijheid eerlijk delen de linkse familie ruw wakker geschud. Taboes worden niet geschuwd. De reacties zijn dan ook heftig, ook van mij, als betrokken lid van GroenLinks. Eerlijk is eerlijk: zij hebben het voortouw genomen en het aangedurfd om de krakende verzorgingsstaat op te schudden en een ‘links antwoord’ te formuleren. Dat is positief en een compliment waard. Maar het antwoord is niet goed genoeg en in de analyse van met name het arbeidsmarktbeleid en de positie van de vakbeweging slaan Halsema en Van Gent de plank mis. Daarom deze kritische bijdrage – mijn oogmerk is dat het debat gevoerd wordt en dat er straks een beter verkiezingsprogramma ligt.

1. Iedereen is belangrijk
“Gewone mensen vragen geen zekerheden van de wieg tot aan het graf en ze weten dat een baan voor het leven niet kan worden gegarandeerd. Ze willen hun best doen en in zichzelf investeren. Ze willen voor anderen opkomen en bijdragen aan een fatsoenlijke samenleving. Ze willen solidariteit, ook tussen generaties. Ze willen kunnen rekenen op een overheid die hen helpt als dat echt nodig is en op een overheid die samenbindt.”
Dit is een citaat uit de Agenda voor 2007, het FNV-manifest over het sociaal-economische beleid dat begin februari 2006 werd gepubliceerd. In de meeste discussies die over de toekomst van de verzorgingsstaat gaan, komen de wensen van de gewone mensen niet aan de orde. Aanhangers van de neoklassieke economische theorie voeren immers in het toekomst-debat de boventoon, en neoklassieke economen zien de mens vooral als een slimme rekenaar die in iedere situatie alleen oog heeft voor het maximeren van het eigen profijt. Om mensen dingen te laten doen waarvan je vindt dat die belangrijk zijn, moet je ze dus financieel prikkelen. Met boetes en met kortingen op uitkeringen, met bonussen en andere geldelijke stimulansen. Wie niet meedoet in de aldus geregisseerde concurrentiestrijd straft zich zelf.
Als je zo de mens ziet, formuleer je je maatschappelijke doelstellingen bijna uitsluitend in economische termen: meer groei, minder kosten, lagere belastingen, meer koopkracht. Mensen die niet werken, leveren geen bijdrage aan het realiseren van deze doelstellingen. Ze vormen een kostenpost.
Ook het huidige kabinet is die mening toegedaan. Het beschouwt uitkeringsgerechtigden niet als slachtoffers, maar als obstakels om haar economische en financiële doelen te bereiken. Dit is een bedenkelijke benadering die zelfzucht en egocentrisme legitimeert en die geen ander perspectief biedt dan verdeeldheid tussen alles en iedereen. Het is een visie waaruit bijna onvermijdelijk een steeds maar toenemende repressie ten opzichte van individuele burgers en bepaalde groepen voortvloeit. Het bikkelharde vreemdelingenbeleid en de valse toon waarop het integratiedebat wordt gevoerd, komen dan ook niet uit de lucht vallen.
Het is jammer dat Femke Halsema en Ineke van Gent in hun manifest Vrijheid eerlijk delen regelrecht in sommige valkuilen stappen die de neoklassieke ideologen hebben gegraven. Ook zij immers beschouwen niet-werkende ouderen voornamelijk als een kostenpost, waarvoor jongeren moeten opdraaien. Ook zij gaan mee met de opvatting dat de vakbeweging nog steeds (of weer) een ouderwetse belangenorganisatie is. En het ontgaat hen dat hun pleidooi voor meer flexibiliteit via een versoepeling van het ontslagrecht regelrecht voortvloeit uit de veranderde politieke en economische verhoudingen. Het bevestigt de verzwakte positie van de werknemer op de arbeidsmarkt, in plaats van dat het die verbetert.

2. Perspectief bieden
Wie spreekt over idealen als gelijkwaardigheid, solidariteit en rechtvaardigheid wordt steeds vaker weggehoond en als ‘conservatief’ of ‘oud links’ weggezet. Het zijn niet altijd de feiten die de uitkomst van het debat bepalen, maar veel vaker de vooroordelen en de incidenten. Het perspectief waaraan menig politicus zich vastklampt is een herstel van de economie. Maar tegelijkertijd verpest de polarisatie tussen bevolkingsgroepen het leef- en werkklimaat. Er wordt op grote schaal gediscrimineerd. De identiteit van mensen uit de moslimsgemeenschap wordt steeds meer gelijkgesteld aan hun religieuze overtuiging en wordt niet verbonden met persoonlijke talenten, eigenschappen, verlangens en emoties. Je krijgt geen baan als je Mustapha heet. Welk toekomstbeeld hebben de neoklassieke marktaanhangers eigenlijk van de inrichting van onze maatschappij? Verloederde stadswijken waar alleen de wetten van de jungle gelden?
Honderdduizenden mensen die zouden kunnen en willen werken hebben geen baan. De gedwongen niet-activiteit concentreert zich aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Bij degenen die minder goed geschoold zijn, bij mensen die hun vaardigheden en competenties zagen verwelken als gevolg van technologische en organisatorische vernieuwingen, bij ouderen die het opgelegde tempo niet langer aankonden. Gaan we deze mensen alleen nog maar met boetes te lijf? Beperken we hun WW-uitkering tot maximaal een jaar? Dwingen we ze om onze parken te vegen of om luciferdoosjes te vullen?
De echte armoede neemt toe. Steeds meer mensen kunnen alleen nog het hoofd boven water houden via voedselbanken. Er gaan iedere ochtend weer kinderen naar school die niet hebben ontbeten, omdat daar thuis het geld niet voor was. De toegankelijkheid van ons onderwijs en van sommige andere publieke voorzieningen laat voor de onderkant in onze samenleving heel veel te wensen over. Is het eerste antwoord dat we de inkomensafhankelijker regelingen voor deze groepen afschaffen omdat we ze niet willen betuttelen?
Er moet perspectief worden geboden. Allereerst moet de toon in het integratiedebat worden gematigd. De heilloze weg naar meer polarisatie moet worden afgesloten. Voor alle groepen moet er een volwaardige en veilige plaats zijn in ons land. Daaraan moeten politici, werkgevers en vakbonden werken. Uitsluiting van bevolkingsgroepen leidt tot hoge maatschappelijke kosten. Sociale cohesie vormt de voorwaarde voor een rechtvaardig sociaal beleid en een doeltreffend economisch beleid.
Er moet perspectief worden geboden. Er moet een arbeidsmarktbeleid ontwikkeld worden dat meer maatwerk mogelijk maakt en waarin de rechten en plichten van zowel werkzoekenden als werkgevers duidelijk zijn. Een arbeidsmarktbeleid dat een goede mix van anticyclische instrumenten en structuurgerichte instrumenten bevat.
Er moet perspectief worden geboden. Er moet een stelsel van sociale zekerheid ingevoerd worden dat ook in de toekomst houdbaar is en waarvan de uitkeringsvoorwaarden niet in de eerste plaats afhankelijk zijn van de kleur van het kabinet en de nukken van politici. Dat veronderstelt dat de regie over de werknemersverzekeringen ligt bij de werknemersorganisaties, eventueel samen met de werkgeversorganisaties. Inkomensbescherming, activering en investeren in scholing en competenties van mensen zijn de hoofdkenmerken van dit nieuwe stelsel.

3. Arbeidsmarkt
Linkse politieke partijen en vakbonden zijn het over één ding eens: er moet een stelsel van sociale zekerheid komen dat niet alleen en misschien zelfs niet in de eerste plaats inkomensbescherming biedt, maar vooral activeert en in mensen investeert. Je kunt dit als een neoklassieke opvatting zien, maar de achtergrond is anders. Je moet mensen de mogelijkheid geven zich te ontplooien en sociale contacten op te doen. Je mag aan ze vragen een bijdrage aan de maatschappelijke productie te leveren. Dáárom moet je ze in staat stellen om een volwaardige baan in te nemen. Een baan met een inkomen, een baan met verantwoordelijkheden, een baan die een beroep doet op competenties en vaardigheden.
Het huidige stelsel van sociale zekerheid voldoet niet. Het ziet de werkzoekenden te zeer als een kostenpost. In het zogenaamde Balie-document Sociale Zekerheid als investering (2004) en ook in de Wet van de wederkerigheid (2005) die door een projectgroep binnen de PvdA is opgesteld, wordt de investeringsfunctie van de verzorgingsstaat meer centraal gesteld en zo hoort het ook: perspectief bieden is investeren.
De kernopdracht van het stelsel van sociale zekerheid zou het bevorderen van duurzame arbeidsparticipatie moeten zijn. Dat doe je door mensen de mogelijkheid te bieden om op belangrijke ogenblikken in hun leven over te stappen naar een andere baan of te kiezen tussen werken en zorgen, of tussen werknemerschap en zelfstandig ondernemerschap. Als mensen werkloos worden is dat een moment om in ze te investeren.
Dit betekent dat inkomensbescherming ook gerelateerd moet zijn aan het investeren in mensen. Specifieke arbeidsmarkt- en scholingsinstrumenten moeten, samen met de inkomensbeschermende instrumenten, onverbrekelijke onderdelen zijn van een nieuw stelsel van sociale zekerheid. Het recht op die arbeidsmarktinstrumenten behoort even stevig verankerd te zijn in dit stelsel als het recht op een uitkering. De financiering geschiedt steeds uit één bron. Rechten en plichten zijn elkaars spiegelbeeld: als mensen niet bereid zijn in zich zelf te investeren dat heeft dat uiteindelijk gevolgen voor het niveau van de inkomensbescherming.

4. Een nieuw stelsel
Het kabinet heeft er de mond vol van: iedereen moet zijn of haar verantwoordelijkheid nemen. Doorgaans wordt dit argument gebruikt om bezuinigingen op collectieve voorzieningen en sociale uitkeringen uit te leggen. Verantwoordelijkheid nemen impliceert dan dat iedereen voor zichzelf moet zorgen.
Er is een beter en fundamenteel ander argument voor het nemen van verantwoordelijkheid: het is een middel om actief maatschappelijk te participeren. Als je voluit meedoet in de samenleving dan aanvaard je dat de zorg voor de ander, al is het maar via het betalen van belastingen, niet een lastige bijkomstigheid is maar een invulling van je maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Zo kan je gezamenlijk rekening houden de razendsnelle veranderingen in de maatschappij en de economie de baas worden. Zo kan je gezamenlijk inspelen op nieuwe technologische ontwikkelingen. Zo kan je gezamenlijk, maar ieder met een eigen rol, de gevolgen opvangen van de globalisering, het verdwijnen van landsgrenzen.

Een nieuw stelsel van sociale zekerheid moet de gezamenlijke en de individuele verantwoordelijkheden op een moderne manier invullen. Dat kan door een gelaagde opbouw: een basisvoorziening, een voorziening op ondernemings- of sectorniveau en een individueel te treffen aanvullende voorziening.
De staat, de overheid, moet verantwoordelijk zijn voor een basisvoorziening van inkomensbescherming en garanderen dat iedereen onderwijs en scholing krijgt en bereikt wordt door het arbeidsmarktbeleid als dat nodig is. Voor ouderen is er de inkomensbescherming via de AOW (zouden we er trouwens niet goed aan doen om eerst alle feiten over de vergrijzing op een rijtje te zetten voordat we de houdbaarheid van de AOW met allerlei vergaande voorstellen ondermijnen?). Voor iedereen die toetreedt tot de arbeidsmarkt moet er een startkwalificatie zijn. Voor iedereen die werkt of werk zoekt zijn er onderwijs- en scholingsrechten. Er is een basisinkomen als er (nog) geen werk is.
Werknemers en werkgevers moeten in bedrijven en sectoren de verantwoordelijk nemen voor een specifieke aanvulling op de basisvoorziening. Een aanvullend beleid op meso-niveau is efficiënt en effectief, en het creëert draagvlak voor meer solidariteit. Ook hier gaan inkomensbescherming en investeren in mensen samen. Werknemers en werkgevers moeten een bijdrage leveren aan het opnemen in het arbeidsproces van outsiders. Nu al maken de vakbonden tal van afspraken om mensen uit achterstandsgroepen aan een baan te helpen. Nu al zetten vakbonden in op meer stageplaatsen en meer leerwerkplekken voor jongeren die anders geen kans krijgen. Op dit moment is de vakbeweging de enige maatschappelijke organisatie die zich druk maakt over de inkomens van uitkeringsgerechtigden. Niettemin zou ik in dit systeem aanvaarden dat de overheid een aantal kwaliteitseisen aan de aanvullende uitkeringen en het aanvullende investeringsbeleid stelt. Ik kan me ook voorstellen dat de overheid afspraken met bedrijven maakt over inspanningsverplichtingen ten opzichte van bepaalde groepen. Denkbaar is zelfs dat er, afhankelijk van de arbeidsmarktsituatie, aan ondernemingen een acceptatieplicht voor het in dienst nemen van bepaalde groepen wordt opgelegd.
Tenslotte moeten mensen kunnen kiezen om zich als privé-persoon ook nog aanvullend te verzekeren. Dat is een derde laag van bescherming en investeringen die men niemand kan onthouden. Een stelsel dat op de hier beschreven wijze is ingericht, verdeelt de verantwoordelijkheden op een moderne manier.

5. GroenLinks en de vakbeweging
De relatie van Halsema en Van Gent met de vakbeweging is in het beste geval te typeren als een haat-liefde verhouding. Zo’n beetje alles wat er mis gaat wordt op het bordje van de vakbeweging geschoven. Of het nu de sociale zekerheid of de flexarbeid betreft, of de scheiding tussen in- en outsiders op de arbeidsmarkt. Ik ben het met een groot deel van de analyse over wat er mis gaat niet eens, maar het meest pregnante is dat de (mede-) verantwoordelijkheid van werkgevers(-organisaties) en niet te vergeten de politiek, GroenLinks incluis, volstrekt genegeerd wordt. Sterker nog: in het aandragen van het Scandinavische model als oplossing voor de ‘arbeidsmarktkwalen’ wordt volledig genegeerd dat de vakbeweging daar sterk geïnstitutionaliseerd is en een heel ‘grote vinger in de pap’ van het sociaal-economisch beleid heeft. De vakbeweging heeft ook een heel zware stem in het ondernemingsbeleid en een werknemer doet er goed aan lid te worden, anders schaadt het zijn of haar positie op de arbeidsmarkt. Kortom zonder de vakbeweging gebeurt er niks. Is dit het model dat Halsema en Van Gent willen? Een model van meebesturen dat veel verder gaat dan in Nederland.
Ik denk niet dat dit de oplossing is. Ik denk wel dat voor een samenleving, ook in de 21ste eeuw, maatschappelijke organisaties zoals de vakbeweging nodig zijn om de boel bij elkaar te houden. Op die manier kunnen verbindingen gelegd worden tussen deelbelangen (horizontaal) maar ook verticaal tussen overheid en maatschappij. Een probleem als de werkloosheid onder met name jonge allochtonen kan alleen maar effectief worden aangepakt als overheid en maatschappelijke organisaties samenwerken.
Mij is volstrekt duidelijk dat dit niet genoeg is om het bestaansrecht van de vakbeweging in de huidige vorm te legitimeren. Integendeel. Werknemers moeten zich meer herkennen in wat we doen. Dat betekent een grotere betrokkenheid organiseren, onder andere middels referenda onder werknemers, meer keuzemogelijkheden voor werknemers, vernieuwing van producten en diensten, vernieuwing in vormen van communicatie – de internetvakbond is een interessante nieuwe ontwikkeling – en ongetwijfeld meer. Want we zijn te klein – een organisatiegraad van 23 procent – ook al zijn we in aantal groot (een kleine 2 miljoen mensen zijn lid van een bond).
Directe democratie: ja! Referenda: ja! Maar dan niet volgens het door Halsema en Van Gent geschetste model (werknemers in een sector kiezen welke vakbonden de CAO-onderhandelingen mogen voeren, en stemmen over de uitkomst). Dat leidt tot groepsegoïsme. Jonge werklozen komen daarmee niet aan het werk. Het versterkt de bekritiseerde scheiding tussen in- en outsiders. Het past in het huidige vrije marktdenken, maar helpt de samenleving om zeep en dat kan GroenLinks toch niet willen.
Tenslotte: belangenbehartiging en dienstverlening kosten geld. Een goede CAO komt er alleen maar als er sterke bonden met veel leden zijn. Dit betekent dat het free riders-gedrag aangepakt moet worden: niet-leden profiteren nu van het werk dat leden mogelijk maken. Iedereen zou mee moeten betalen aan een goede CAO. Dan heeft elke werknemer recht van spreken en kan de stem van elke werknemer – al of niet per referendum – gelijk gewogen worden.

Epiloog
Halsema en Van Gent hebben met hun manifest terecht veel overhoop gehaald. Maar in de vernieuwing van de verzorgingsstaat is de overheid buiten schot gebleven. Dat is jammer, juist ook omdat het vertrouwen van de burgers in de politiek heel erg laag is. Het is een opdracht voor de politiek dat vertrouwen te herstellen, dus ook een opdracht voor GroenLinks. Ik hoop dat een nieuw manifest deze lacune opvult.

Henk van der Kolk is voorzitter van FNV Bondgenoten

De Helling 2006/1


Inhoud 2006/1